Tenaanval

Tenaanval

Over bibliothecarissen, bibliotheken, leesbevordering en soms over kunst

publiek

All of the posts under the "publiek" tag.

Dansend verkeerslicht

Een interactief verkeerslicht dat mensen moet stimuleren om te wachten voor een rood licht. Kijk vooral eerst naar het filmpje voordat je verder leest.

Geweldig vind ik het. Het is een actie van Smart (ja, van die auto’s) in het kader van een project waarin de vraag centraal staat: hoe kunnen we de stad veiliger maken? Samen met een reclamebureau plaatste Smart op een drukke oversteekplaats in Lissabon een verkeerslicht waarin het rode poppetje vervangen werd door een dansend mannetje. Niet door een filmpje van een mannetje, maar de bewegingen van het mannetje werden opgewekt door echte, dansende, mensen die op een plein om de hoek in een hokje stonden. En die mensen konden dus reageren op het wachtende publiek. Mooi. En vrolijk. En het werkte ook nog.

Hou ik van, van dat soort projectjes. Dus ik ga geen cynische dingen zeggen over autofabrikanten die voetgangers koeioneren. Vandaag niet.

Gevonden via Designboom. Waar je ook een leuk behind-the-scenes-filmpje kunt zien.

Nieuw publiek voor de Schouwburg

Zina is een theatergezelschap dat voorstellingen maakt op locatie, in de wijk, met wijkbewoners. Daarmee willen ze een traditioneel theaterpubliek in aanraking brengen een nieuwe omgeving.  Het publiek komt op bezoek in deze geopende wijken, in een verhevigde werkelijkheid worden zij over de grenzen van de realiteit getild. Met hun Wijksafari voorstellingen brachten ze het theater in de wijk. In hun nieuwste project draaien ze het om: ze brengen nu de wijk het theater in. Bij de voorstelling Danton’s dood, van Toneelgroep Amsterdam ontwikkelen ze het project De Oversteek, waarbij wijkbewoners naar het theater gehaald worden.

Danton’s dood speelt zich af tijdens de Franse Revolutie. Via filmpjes als dit worden mensen gezocht die het volk willen zijn dat in opstand komt, liefst mensen die zelden of nooit in de schouwburg komen. De wijkbewoners nemen de schouwburg over, althans dat is de gedachte. Ze spelen geen rol (geen echte) maar omdat ze niet (of niet goed) bekend zijn met de wetten van het theater is de verwachting dat er onverwachte dingen zullen gebeuren op het toneel. Na afloop van de voorstelling blijven ze slapen, op het toneel of op andere plekken in het theater en ’s ochtends is er een gezamenlijk ontbijt onder het motto: vrijheid – gelijkheid – broederschap.  Ook theaterbezoekers mogen blijven slapen, voor zover er plek is. En het loopt storm geloof ik, zowel met “volk” als met bezoekers die willen overnachten.

oversteek

 

In elke stad waar het stuk gespeeld wordt, wordt weer een nieuw volk gezocht. De mensen van Zina gaan de boer op om actief te werven, op niet-traditionele plekken als wijkcentra en voedselbanken. Daarna worden er informatiemiddagen georganiseerd en repetities. De wijkbewoners spelen dan wel geen echte rol, er moeten wel degelijk afspraken gemaakt worden. Ik ben heel benieuwd hoe het uit gaat pakken, niet alleen in de voorstelling maar ook daarna. Werkt het drempelverlagend? Kom je eerder naar een voorstelling in de Schouwburg als je er een paar keer geslapen hebt of als je bekend bent achter de schermen? Levert het een nieuw publiek op voor de Schouwburg? Dat zou mooi zijn. Misschien zouden bibliotheken daar een les uit kunnen trekken, uit deze aanpak. Alleen al vanwege hun sloganWant ook de schouwburg is een buurthuis, een plek om te verblijven! Klinkt bekend nietwaar? Een plek om te verblijven?

Ik ga het met eigen ogen bekijken, op 12 februari. Kijken of het gewerkt heeft, dat actief werven.

De toon die je aanslaat

Bij mijn bezoek, recentelijk, aan de grote musea van Londen viel me de open manier op waarop zij het publiek benaderen. Nou begint het verschil met Nederland  natuurlijk al bij de ingang want alle musea in Londen zijn gratis en je wordt, vrij dringend, verzocht een donatie te doen. Alleen al de verschillende manieren waarop je zo’n verzoek kunt doen is een studie waard.

Eenmaal binnen word je op een hele vriendelijke manier ontvangen, niet eens zozeer door het personeel want dat is net zo aardig of onaardig als bij ons. Maar er is iets in de manier waarop je als bezoeker benaderd wordt en waarin de musea met hun collectie omgaan die anders is dan bij ons. Ik probeer al een paar dagen om voor mezelf te formuleren waar het verschil nou precies in zit maar ik kom er niet helemaal uit. Het heeft iets te maken met de toon die ze aanslaan: trots maar niet uit de hoogte, informatief maar niet saai en educatief maar niet kinderachtig. Misschien is het gewoon de Engelse manier van praten, dat zou kunnen, maar dat is niet het hele verhaal.

Het zit hem ook in de manier waarop ze tentoonstellingen maken, het verhaal dat ze vertellen met hun collectie en vooral het plezier dat ze uitstralen. De overtuiging dat het heel belangrijk is wat ze doen en dat ze zoveel mogelijk mensen willen laten meeprofiteren van het genoegen dat zij beleven aan al die mooie en interessante dingen. Ze hebben een duidelijk idee van wat ze willen zeggen en ze verplaatsen zich in de bezoeker om zeker te zijn dat hun boodschap goed over komt. Misschien zit daar het verschil met Nederlandse musea: die gaan veel meer uit van het grote idee en van de gedachten van de tentoonstellingsmaker daarbij, niet van de kennis of de mening van de toeschouwer.

Dat levert een tentoonstelling op als bijvoorbeeld Close Examination in de National Gallery. Van een relatief saai onderwerp als kunsthistorisch onderzoek maken ze met een spannende titel en een Da-Vinci-code-achtig affiche een boeiende tentoonstelling, waarin bijvoorbeeld aan de hand van pigment-onderzoek wordt aangetoond dat het schilderij Oude man in een leunstoel níet van Rembrandt is. De bijbehorende teksten zijn interessant maar niet eenvoudig, voor de vaktermen wordt er een woordenlijst bijgeleverd. Het werkt, want het was druk op de tentoonstelling. Ik verwachtte dat mensen zouden afhaken als zou blijken dat de tentoonstelling niet gericht was op spanning en sensatie (over meestervervalsers en oplichting) maar dat was niet zo: alle teksten werden uitvoerig bestudeerd.

Ik wil best geloven dat Nederlandse musea ook proberen om zich te verplaatsen in hun publiek, en het lukt misschien ook best wel eens, maar over het algemeen overheerst in Nederland toch altijd een van beiden: óf de tentoonstellingsmaker met zijn theoretisch kader óf de communicatiemedewerker met zijn “als-het-maar-niet-te-moeilijk-is”. Het gaat nog niet eens zozeer over de moeilijkheidsgraad van een tekst maar meer over de toon die wordt aangeslagen. Het Rijksmuseum komt een heel eind in de buurt, bijvoorbeeld met hun tentoonstelling van Jan Six (heel chic dat ze die hele tentoonstelling op internet zetten overigens) maar dat is wel een uitzondering.

Op de foto hierboven zie je de ingang van Tate Modern, op de achtergrond zie je o.a. de werkzaamheden van de uitbreiding van het museum. Explore, experience and enjoy: hoeveel musea hebben dat zo nadrukkelijk geformuleerd en handelen daar ook naar? Toen ik dat zag moest ik meteen aan de kernfuncties van de bibliotheek denken (eens een bibliothecaris, altijd een bibliothecaris). Dat “experience” is in de bibliotheek iets dubieuzer (de beleefbibliotheek is toch nooit echt goed aangeslagen) maar “explore” en “enjoy” past natuurlijk wonderwel. En wat doen bibliotheken daar dan mee? Hoe serieus nemen wij die zelfopgelegde opdracht? Bibliotheken zijn toch vaak verstrikt in in de dagelijkse gang van zaken en komen daardoor niet echt toe aan het invulling geven aan die verdieping van hun taak. Daar hangt die manier van hoe je je publiek benadert ook weer mee samen: als je daar eigenlijk niet genoeg tijd voor hebt, heb je al helemaal geen tijd om goed na te denken over de toon die je daarbij aan slaat. Dat leidt tot een vicieuze cirkel want als je niet de juiste toon aanslaat komen de mensen niet en als je niet genoeg mensen bereikt mag je er van je directeur minder tijd aan besteden want je doelgroep is te klein.

Lastig.

Het Concertgebouw zoekt aansluiting

Niet alleen de bibliotheken zijn op zoek naar een nieuw publiek, orkesten ook. Ik schreef er al eerder over, vooral het Concertgebouw was goed bezig vond ik. Datzelfde Concertgebouw heeft nu een nieuw merk (zo noemen ze het echt) Tracks.

Een serie concerten die aansluiten bij jouw levensstijl. Je werkt hard, hebt een druk sociaal leven, en Je komt nu niet of nauwelijks in Het Concertgebouw. Maar je houdt wel van mooie, bijzondere muziek, en je bent ‘in’ voor nieuwe dingen, voor verrijking van je leven, en voor een bijzondere ambiance, waar je mensen ontmoet bij wie je je prettig voelt. Tracks biedt aan dit selecte publiek korte concerten, of Short Concerts om in de terminologie te blijven. Het concert begint om 9 uur, duurt maar een uurtje en daarna is er een borrel met een dj.

Ik ben natuurlijk de doelgroep niet, want ik ga gewoon uit mezelf twee keer per jaar naar het Concertgebouw, maar ik krijg hier toch een beetje een raar gevoel bij. Het klinkt wel heel erg “uit een boekje”. Maar misschien vergis ik me en raakt de marketingafdeling van het Concertgebouw precies de goede snaar hiermee. Morgen is het eerste concert uit een serie van drie. En het is niet alleen een nieuw tijdslot, het is ook nog eens een verrassingsconcert, dus zonder programmaboekje. In het Parool vertelt de directeur trots over deze trendbreuk, over dit streven naar informeel en interactief.

Ik hoop voor hem dat het een succes wordt. Het is in elk geval anders en dat is toe te juichen. Daarom zal ik niet bij voorbaat cynisch gaan doen, ben heel benieuwd.

get_footer() ?>