Tenaanval

Tenaanval

Over bibliothecarissen, bibliotheken, leesbevordering en soms over kunst

bibliotheken

All of the posts under the "bibliotheken" tag.

Lezen op het strand, Franse strandbibliotheken

Vorige week was ik Normandië, op vakantie. In ons hotel vond ik een folder van Lire à la plage, de Franse versie van de strandbibliotheek.  (Voor wie zich afvraagt wat ik met strandbibliotheken heb is hier een linkje naar hoe dat ooit begon) In Nederland zijn de meeste strandbibliotheken weer verdwenen, alleen Makkum houdt dapper stand, dus ik was aangenaam verrast dat ze in Frankrijk nog steeds bestaan. Al sinds 2006 zijn ze daar bezig. Ik heb er veel foto’s van gezien maar weinig over gehoord dus ik wilde er nu graag eens een in het echt zien.

Zelfs als ik niet gewaarschuwd was door die folder had ik de bibliotheek op de boulevard van Étretat waarschijnlijk snel gevonden, want het stond op een tamelijk prominente plek. Zoals dat hoort. En het was zeer herkenbaar, niet alleen omdat er met grote letters Lire à la plage op stond maar ook vanwege de herkenbare kleuren. In tegenstelling tot “onze” strandbibliotheken hebben ze er in Frankrijk voor gekozen om alle bibliotheken er precies hetzelfde uit te laten zien. En als ik het filmpje zo bekijk geldt dat niet alleen voor de buitenkant (allemaal precies dezelfde huisjes, met allemaal rechts van de ingang een leesterras met precies dezelfde strandstoelen) maar ook voor de binnenkant. Want die in Étretat zag er van binnen precies zo uit als die hierboven. Die eenheid komt waarschijnlijk (ook) omdat het één groot project is, van het departement Seine-Maritime dus ik ga er van uit dat alles gewoon centraal geregeld wordt. Wat me opviel is dat ze zichzelf geen bibliotheek noemen. De collectie bestaat ook niet uit bibliotheekboeken maar uit niet-ingewerkte winkelexemplaren en er is niets dat lijkt op een uitleensysteem. Het meisje dat de “bibliotheek” beheerde reageerde dan ook heel verbaasd op mijn vraag of ze met de plaatselijke bibliotheek samenwerkten. “Nee, we zijn van het departement. We hebben niets met de bibliotheek te maken.” Een paar klikken op het internet leert dat er in het verleden wel degelijk werd samengewerkt met gemeentelijke bibliotheken, maar dat was ongetwijfeld vóór de tijd van deze (neem ik aan) werk-studente. Die vertelde dat ze elke dag open zijn, van 14 tot 19 uur. Ook als het slecht weer is.

Er worden mondjesmaat activiteiten georganiseerd, voornamelijk gericht op lezen en taal. Het leek allemaal tamelijk simpel: een leuk huisje met (1000) boeken en een gezellig terras. Zet de deur maar open en ga je gang. Niks ingewikkelds of hoogdravends, gewoon: lezen. Op het strand. Want daar gaat het om, bij Lire à la plage.

PS. Ook als je Frans niet al te best is: kijk het filmpje toch maar. Is leuk. En de plaatjes zeggen genoeg.

Terugkeer van de melkboer

Sinds afgelopen vrijdag is de melkboer weer terug in Amsterdam. Geen gewone melkboer maar een bevlogen ondernemer/actievoerder die “het contact tussen het platteland en de stad wil herstellen” door eigenhandig melk van boeren uit de omgeving naar Amsterdam te brengen. In bovenstaand filmpje is te zien hoe hij zijn producten aflevert bij restaurants en ondernemers en nu verkoopt hij dus ook aan de gewone Amsterdammers. In dit nieuwsbericht van AT5 zie je hem gratis melk uitdelen in de Amsterdamse Pijp vanuit zijn schattige autootje. Zijn bedrijf heet MOMA (More than Milk Amsterdam) en dat staat voor “meer dan melk. Melk is voor ons Liquid Landscape; een vloeibaar stukje landschap”. Op zijn website is meer achtergrondinformatie te vinden en daar staat ook een kaartje van de stad met daarop de locaties en de routes die hij met dat autootje rijdt, inclusief een tijdschema.

Leuk!

Wie dit blog al langer volgt of wie mij een beetje kent voelt hem al aankomen:

Als de melkboer weer terug komt is de tijd rijp om ook de bibliobus weer te laten terugkomen. Nee, de bibliobus is nooit helemaal verdwenen uit Nederland. In Zeeland rijden de Onderwijsbus en de Servicebus op volle toeren en in o.a. Arnhem en Emmen rijdt de bus ook nog steeds tot ieders tevredenheid. Maar in de afgelopen 10 jaar is het aantal bibliobussen drastisch afgenomen vanwege “veel te duur”. Ik wil de discussie over dat argument hier nu niet overdoen, want dat is relatief, het is maar net waar je die kosten mee vergelijkt. Een belangrijke reden voor het opheffen van de bussen was ook een gevoel: die bibliobus is ouderwets, dat is iets van vroeger en tien jaar geleden waren bibliotheken vooral bezig met aantonen dat ze niet van vroeger waren maar juist heel erg van nu. Dus veel bestuurders wilden niet met zo’n stereotypebevestigend iets geassocieerd worden.

Inmiddels begint het tij langzaam te keren. De Zeeuwen gingen voorop bij het innoveren van de bibliobus maar een belangrijke stap is toch zeker gemaakt door de mannen van het Frysklab. Dit mobiele bibliotheeklab is innovatief en hip en wordt internationaal geroemd, juist vanwege het mobiele element. Vanwege het busgedeelte zeg maar. Het Friese makerlab krijgt her en der in het land navolging en ook iets ludieks als Blikkie het voorleesbusje uit Helmond is een groot succes. Terecht. Want het is superhandig dat je je activiteit (welke dan ook) heel eenvoudig op verschillende locaties kunt uitvoeren. Het enige dat je nodig hebt is een parkeerplaats die groot genoeg is. Een bibliobus is super laagdrempelig en je kunt letterlijk de mensen opzoeken. En nee, ik zeg niet dat je die oude bussen terug moet halen maar als het gaat over spreiding en het bereiken van doelgroepen dan is een bus daarvoor het aangewezen middel. Nu alleen nog hip worden.

Bibliothecarissen houden van mensen

De dag na mijn 17e verjaardag reisde ik samen met twee meisjes die ook bij mij op school zaten naar Tilburg voor een toelatingsgesprek op de Bibliotheekacademie. Ja jongens en meisjes, in die tijd kregen ze daar zoveel aanmeldingen dat ze een selectie konden maken.

Aan ons groepje van drie werden nog twee mensen toegevoegd en met zijn vijven kwamen we voor een selectiecommissie te zitten. Ik weet niet meer precies uit hoeveel mensen die commissie bestond maar daarin zat in ieder geval meneer Van Agt, de adjunct-directeur van de school. Die keek ons vriendelijk aan, legde uit wat de bedoeling was vroeg toen plompverloren aan Marloes: “Zo, en vertel eens: waarom wil jij in een bibliotheek gaan werken?” Omdat ze zo van boeken hield, zei Marloes, en omdat ze gek was op lezen. “Dan moet je in een boekhandel gaan werken” zei Van Agt. “Daar zit je de hele dag tussen de boeken” en daarna stelde hij dezelfde vraag aan Coen. “Ik wil in een bibliotheek werken omdat ik graag mensen wil helpen en vragen wil beantwoorden” antwoorde die. Dat vond ik zelf een hele snelle actie en slim bedacht maar meneer Van Agt was niet onder de indruk. “Dan moet je bij de NS gaan werken” zei hij, “achter het loket. Kun je de hele dag vragen beantwoorden.” En toen wij in koor protesteerden dat dat heel iets anders was dan in een bibliotheek omdat je daar steeds andere vragen krijgt en omdat een bibliotheek veel afwisselender is reageerde hij met “Bij de NS krijg je ook steeds andere vragen, want die mensen willen allemaal een kaartje naar een andere bestemming.” Waarschijnlijk keken we daarna allemaal licht wanhopig uit onze ogen: want wat was DAN het goede antwoord? En toen legde de adjunct-directeur van de BDAT uit dat het in een bibliotheek draaide om mensen. Dat je van mensen moest houden als je in een bibliotheek wilde werken. En ja, je moest veel vragen beantwoorden en het was ook handig als je van lezen hield maar het draaide om de mensen. “Dus dat moeten jullie goed onthouden als jullie aan deze opleiding beginnen.”

Hoe dat gesprek verder verliep weet ik niet meer, maar deze opening maakte toen diepe indruk op me. Waarschijnlijk omdat het de eerste keer was dat ik zo’n retorisch trucje meemaakte. En omdat het heel erg duidelijk maakte wat de bedoeling was.

Ik weet niet of er ooit mensen werden afgewezen na zo’n gesprek. Misschien was dat alleen bedoeld als drempel om te voorkomen dat mensen zich al te gemakkelijk aanmeldden en vervolgens niet kwamen opdagen als het studiejaar begon. Wij werden in elk geval alle vijf aangenomen en kwamen bij elkaar in de klas. Met een van die meisjes raakte ik bevriend en zij is nu nog steeds mijn beste vriendin.

Waarom ik dit verhaal nu oprakel is om aan te geven dat het bepaald niet nieuw is dat je van mensen moet houden om in een bibliotheek te werken. Want dat hoor ik de laatste tijd wel eens. Dat je vroeger van boeken moest houden als je in een bibliotheek wilde werken en dat het nu om de mensen draait. Maar dat is dus niet zo. Al is dat wel een poosje wat minder gebruikelijk geweest in de branche. Zo was daar de directeur die tegen gezellige praatjes aan de balie was: “We zijn geen buurthuis! Voor de gezelligheid hoeven ze hier niet te komen”. Maar het draaide in de bibliotheek altijd om wat je voor “de mensen” kon betekenen. Die stonden voorop. En niet de boeken.

Hoe Ex Libris (de film) was

De VOB en ProBiblio organiseren deze week speciale vertoningen van Ex Libris, de veel geprezen en bekroonde film van regisseur Frederick Wiseman. Alleen toegankelijk voor bibliotheekmensen en hun gasten. Vanavond was ik bij de eerste vertoning in Sittard en ik heb genoten. De reacties om me heen waren gemengd: ik hoorde vooral dat mensen sommige stukken veel te langdradig vonden. “Die film had een stuk korter gekund.”

Ja dat klopt, die film had heel veel korter gekund, je had er makkelijk een documentaire van een uurtje van kunnen maken. Met een voice-over en de vermelding van namen en functies bij de diverse mensen die in beeld komen. En in plaats van de tijd nemen om de omgeving van een filiaal uitgebreid in beeld te brengen voordat de camera naar binnen gaat had Wiseman ook best even de vermelding Filiaal in Harlem kunnen maken. Maar zo’n soort film is het dus niet. Dit is een hele andere film. In de Chinese wijk filmt hij uitgebreid de vlaggenlijnen met alternerende Chinese en Amerikaanse vlaggetjes die symmetrische lijnen over de straat trekken, in de Bronx zie je de bibliotheek bijna niet liggen tussen alle schreeuwerige winkelpuien en de straat voor de New York Public Library for the Performing Arts is steeds weer opvallend leeg (en schoon).

Ik vond het een prachtige film, een echte aanrader. Als je je nog niet hebt aangemeld: snel doen. Hij draait nog op verschillende plekken, tot en met zondag. Als je eigenlijk te moe bent: toch gaan. Want de film is ook een soort van meditatie. Probeer vooral niet alle gesprekken te volgen want ruim 3 uur bij de les blijven en die soms hoog-intellectuele gesprekken in het Engels volgen is niet te doen. Maar laat je meevoeren met de beelden en kijk naar al die bijzondere mensen die in beeld komen. En ga je vooral niet ergeren aan het feit dat niemand benoemd wordt, dus dat je geen idee hebt wie daar allemaal aan het woord zijn. Het eerste half uur was ik een beetje jaloers: wat doen ze daar veel mooie dingen en wat organiseren ze dat goed. Totdat ik me realiseerde dat er in New York meer dan 100 keer zoveel mensen wonen als in Roermond en dat dus elke vergelijking mank gaat. Toen kon ik gewoon genieten van de betrokkenheid en gedrevenheid van iedereen die bij de bibliotheek betrokken is en bewonderde ik de strategische overleggen van het MT. Wellicht ten overvloede: het is dus geen bibliotheekfilm. Althans, geen film die haarfijn uitlegt hoe het er in een bibliotheek aan toe gaat. Het is een film die “toevallig” is opgenomen in de bibliotheek. Hij gaat net zoveel over de stad New York als over de NYPL.

Vandaag publiceerde de VOB een kijkwijzer op de site. Maar die las ik daarnet pas, na afloop dus. En gelukkig waren ze in Sittard eigenwijs en hadden ze daar toch een korte pauze ingelast. Goed idee Liesbeth. Want dat drankje tussendoor was wel heel fijn.

10, 10, 10, 10!

Vandaag bestaat mijn blog precies 10 jaar. Op 22 januari 2008 maakte ik een blog aan in WordPress en schreef ik daar een stukje over, als eerste opdracht van de 23 dingen. Dat ik de neiging heb om uit te gaan leggen wat 23 dingen is geeft al aan dat er sinds die tijd veel gebeurd is. In de wereld en in de branche en ook op dit blog. Wat begon als huiswerk bij een cursus werd een uitlaatklep voor mijn ergernissen en een verzamelpunt voor alle leuke dingetjes die ik tegenkwam tijdens mijn omzwermingen in de sociale media. Van een WordPress blog werd het een WordPress website (die ik nog steeds niet echt in de vingers heb) en het schrijven ging van eens per week via twee keer per week terug naar eens per maand. In het begin werd ik alleen gelezen door een handjevol directe collega’s, daarna kwamen daar andere collega’s uit de branche bij en inmiddels heeft mijn publiek zich ook uitgebreid tot buiten de branche. Raar hoor, om in de rij te staan bij een receptie en door een wildvreemde te worden aangesproken met “he, ik ken jou! Jij bent Tenaanval! Hoe heet je ook alweer echt?”. Ok., dit was een archivaris, dus dat is niet zo’n hele grote stap, maar toch. (Ik bleek Maartje trouwens ook te lezen. Kan ik jullie aanraden.)

Tien jaar geleden werkte ik bij ProBiblio en was ik hoofd van de afdeling Flexibele Bibliotheek. Vijf weken nadat ik dit blog had aangemaakt viel het besluit om de bibliobussen die bij mijn afdeling hoorden op te heffen. Het was een hele andere tijd. Een tijd waarin de term bibliotheekvernieuwing een toverwoord was. Een tijd waarin sommige bibliotheken zoveel mogelijk op boekwinkels wilden lijken, waar alles draaide om zo hoog mogelijke uitleencijfers. Er waren collega’s die concepten en formules verzonnen zodat alle bibliotheken in het hele land er hetzelfde uit zouden gaan zien want dat verhoogde de herkenbaarheid. Of ze bedachten dat de bibliotheek wel dicht kon “want het gaat om de functie en niet om het gebouw”. Daarna brak de strijd los tegen het negatieve toekomstbeeld voor bibliotheken in de buitenwereld. Die worsteling hebben we ook overleefd en gelukkig hoor je nog maar zelden: “waar hebben we nog een bibliotheek voor nodig want alles staat toch op het internet?”. De enkeling die dat nog wel eens zegt (standaardreactie bij een krantenartikel op het web over bibliotheken) wordt meestal snel gecorrigeerd door andere lezers. Er is een Bibliotheekwet gekomen en we hebben e-books. Er is de Bibliotheek op School, Digisterker en er zijn FabLabs in bibliotheken.

Kortom: er is veel gebeurd. Ook met mijzelf: na de bibliobussen en de Strandbibliotheek kwam de Airport Library en de Stationsbibliotheek. Ik ging naar de Bollenstreek waar ik leerde hoe het er echt aan toeging in de bibliotheekwereld en daarna kwam ik naar Roermond. Toen ik met dit blog begon dacht ik dat het maar voor een paar weken zou zijn, ik had nooit gedacht dat ik het zo lang vol zou houden. Ik heb in al die jaren heel veel nieuwe mensen ontmoet, virtueel en in het echt. Sommige mensen was ik misschien op een andere manier ook wel tegen gekomen, maar heel veel mensen ken ik toch echt dankzij Twitter en de sociale media. En dat maakte alles net een beetje leuker. Dus hartelijk bedankt voor de aandacht, de reacties, alle aardige woorden en de discussies die ik heb mogen voeren in de afgelopen 10 jaar. Het was leuk! Voorlopig dobber ik nog wel een beetje verder, in die grote digitale oceaan. Eens kijken hoe lang ik het nog vol hou.

 

Voor wie meer wil weten over de achtergronden van dit blog moet maar even de terugblikken lezen die ik o.a. schreef toen ik drie jaar bestond, of bij mijn eerste lustrum en bij mijn zesde verjaardag.

Nóg een bibliotheekfilm

Afgelopen donderdag maakte de voorzitter van de VOB, aan het einde van de ALV, bekend dat de VOB vertoningen gaat regelen van Ex Libris – The New York Public Library  van Frederick Wiseman, de documentaire die een paar weken geleden zoveel indruk maakte tijdens het IDFA. Hij duurt drie uur maar die uren schijnen voorbij te vliegen. Bart Janssen beschrijft de film in het Bibliotheekblad als een drie uur durende lofzang op de bibliotheek, maar meer nog is het misschien wel een ode aan New York en aan zijn inwoners, die de bibliotheek maken tot wat zij is.

Geweldig idee. Er is nog niks concreet maar ik begreep dat ze van plan zijn om de film op verschillende plekken in het land te vertonen, voor iedereen die er belangstelling voor heeft. Inmiddels heb ik ook begrepen dat er meerdere plannen zijn, o.a. van het Filmhuis in Den Haag. Helemaal goed. Op hoe meer plaatsen die film te zien is, hoe beter. Ik verheug me er al helemaal op. Liefst met een nazit met borrel en een goed gesprek, maar zonder dat vind ik het ook leuk.

En nou kwam Patrick vanochtend op Twitter met een film waar ik ook helemaal vrolijk van wordt. Misschien nog wel vrolijker. Want over 6 weken gaat in de Verenigde Staten de film The Public in première. Een film van Emilio Estevez. Hij schreef en regisseerde de film en speelt een belangrijke rol, namelijk die van directeur van de openbare bibliotheek van Cincinnati. Tijdens extreme weersomstandigheden wordt die bibliotheek bezet door daklozen. Geen idee of het een goede film is maar het gaat in elk geval over een échte bibliotheek en de trailer vind ik al geweldig. Kijk zelf maar.

De film is opgenomen in Cincinnati en ik vermoed deels ook in de plaatselijke bibliotheek. Dat, of ze hebben echt een superfantastische decorbouwer. De film gaat in première op het filmfestival van Santa Barbara, op 31 januari as. en gaat daarna de bioscopen in. In de Verenigde Staten dan, maar ik hoop dat het niet heel erg lang duurt voordat de film deze kant op komt. Misschien helpt het als de VOB tegen die tijd ook nog eens een telefoontje pleegt?

Voor wie zich afvraagt wie Emilio Estevez ook alweer is, of waarom we hem al een poosje niet meer gezien hebben, kijk even deze film. Hij heeft het de laatste tijd o.a. nogal druk gehad met zijn vader en zijn broer, respectievelijk Martin en Charlie Sheen. En nou ik jullie toch tips aan het geven ben: lezen jullie allemaal al De Bieb Letter van Patrick? Want daar verzamelt hij wekelijks bibliotheeknieuws en ook nog leuke feitjes, zoals deze trailer. Bedankt nog Patrick!

Een boekenpoetsmachine

“A behind-the-scenes look at how we remove dust from our books. It’s like a mini car wash for books, minus the water!” twitterde de Boston Public Library onlangs. Fascinerend en ook wel een beetje bizar. Ik kan er in elk geval uren naar kijken: naar deze afstofmachine voor boeken. Ik weet niet of alle boeken die in Boston worden teruggebracht door deze machine gaan of dat ze hem alleen gebruiken om de collectie in het magazijn af en toe op te frissen. Openbare bibliotheken hebben in de Verenigde Staten vaak een ander soort collectie dan wij in Nederland, in elk geval die in de steden. Onze Amerikaanse collega’s combineren het vaak met een archief- of bewaarfunctie. En ja, boeken kunnen stofnesten zijn als je ze niet goed bewaard.

Twitter verwees mij ook naar een artikel in het Library Journal, het Amerikaanse vakblad, over book cleaning products. Daar blijkt een hele wereld achter te zitten van apparaten en hulpstukken en technieken. Vooral de filmpjes op youtube opende nieuwe werelden voor me: er zijn speciale stofzuigers waarmee je de bovenkanten van boeken kunt zuigen en verrijdbare schoonmaakmachines waarmee je voor de kast kunt gaan staan en zelfs schudmachines die de bladzijdes laten wapperen. De filmpjes zijn in het algemeen al wat ouder en daarom een beetje traag en pompeus, maar daarom des te hilarischer. Vind ik dan.

Overigens denk ik niet dat ze in Boston de boeken die worden teruggebracht door dit apparaat halen: boeken die zijn uitgeleend zijn juist niet stoffig. Nat soms of plakkerig, dat wel. Dat probleem hebben ze in wetenschappelijke bibliotheek dan waarschijnlijk weer minder: zand tussen de bladzijden, of restjes shag en dode muggen. En limonade of kauwgom op het omslag. Dat los je met een beetje wapperen niet op. Daar heb je een fles glassex voor nodig. Of erger. In ieder geval een fanatieke bibliotheekmedewerker. Het lijkt me niet iets waar je een machine voor kunt bouwen. Maar ik verbaas me nergens meer over.

Het Museum van mislukkingen

Iedereen die het bericht van gisteren in het NRC gemist heeft stel ik graag voor aan het Museum of Failure in Helsingborg, Zweden. Een initiatief van Samuel West, organisatiepsycholoog en innovatieonderzoeker. In zijn museum verzamelt hij mislukkingen, of beter gezegd: hij verzamelt mislukte producten. West is het museum begonnen omdat hij het zat is dat iedereen zo geobsedeerd is door succes, volgens hem zijn mislukkingen veel interessanter.  Every failure is uniquely spectacular, says West, while success is nauseatingly repetitive. In zijn verzameling zitten technische mislukkingen maar ook dingen waarvan je je niet kunt voorstellen dat er in het productieproces echt niemand heeft gezegd “jongens, moeten we dit wel doen?” (de Bic-pen voor vrouwen!). In dit filmpje laat hij een paar voorbeelden zien. Ik vind het leuk.

Waarschijnlijk sloeg ik aan op het krantenbericht omdat ik eerlijk gezegd een beetje genoeg begin te krijgen van succesverhalen. En van innovatie. Ik kan dat woord niet meer horen, zeker niet in bibliotheekverband. Noem het innovatie of innovatief en je krijgt applaus en je idee wordt omarmd. Je kunt er subsidie voor krijgen en prijzen mee winnen. Voldoet het aan een behoefte? Lost het een probleem op? Is het effectief? Nee, maar het is wel innovatief, dus hoera. Hou daar eens mee op. Ga gewoon eens je werk doen en kijk of je dat nog beter kunt doen. Of je je klanten/gebruikers/lezers nog beter kunt helpen. En of er misschien nog nieuwe doelgroepen te bereiken zijn. En nee, dat gaan we dan niet innovatief noemen, dat heet gewoon “invulling geven aan je taak” of “beleid uitvoeren”. Ik vraag me af hoeveel uur de gezamenlijke Nederlandse bibliotheken extra open zouden kunnen gaan als al die landelijke en provinciale subsidies niet in innovatie zouden worden gestopt maar gewoon rechtstreeks in dienstverlening.

En voordat iemand zich nu geroepen voelt om me te gaan uitleggen dat innovatie noodzakelijk is om te overleven en dat reguliere diensten ook vernieuwd moeten worden: dat weet ik heus wel. Maar daar hoef je echt niet zó veel tijd en geld in te steken. Of je moet natuurlijk je eigen dienstverlening zo slecht vinden dat het allemaal anders moet. Maar volgens mij heb je dan een heel ander probleem. En wat betreft de mantra dat je constant moet innoveren, dat je in beweging moet blijven omdat stilstand achteruitgang is: duh, natuurlijk moet dat. Maar daar heb je geen speciale innovators voor nodig, dat is onderdeel van je werk. Iedereen moet kritisch blijven kijken naar mogelijke verbeteringen binnen zijn eigen taak, als het goed is staat dat in je functieomschrijving. Dus hou eens op met die flauwekul.

Helaas is innovatie ook de achterliggende gedachte van het Museum of Failure, hun motto is Learning is the only way to turn failure into success. Want de bedoeling van het museum is dat bezoekers leren van de mislukkingen van anderen. Ze hebben een pop-up museum waarmee ze door Europa reizen en ze zijn van plan om activiteiten te gaan organiseren rondom mislukkingen: een menu vol mislukte gerechten in een chic restaurant of een bierproeverij van mislukte bieren. The crazier the better… Dat vind ik dan toch wel weer erg sympathiek. Overigens kwam West op het idee voor zijn museum toen hij in Los Angeles het Museum of Broken Relationships zag. Ben ik ook wel benieuwd naar.

Hoe het vak uit de branche verdween

Het waren twee heel verschillende dingen die me aan het denken zetten. Of eigenlijk drie. Het begon met een opmerking naar aanleiding van een artikel dat ik had getwitterd over waarom president Trump een privé-bibliothecaris nodig heeft (een leuk artikel, lees het vooral). Naar aanleiding daarvan was ik opeens aan het uitleggen wat het verschil is tussen een classificatie- en een plaatsingssysteem. En terwijl ik twitterde dat meneer Goossens (docent Documentaire Informatiesystemen) trots op me zou zijn schoot me een opmerking van een collega-directeur te binnen die onlangs over een van de huidige bibliotheektrainingen zei dat het een waardeloze opleiding was want “daar leren ze titelbeschrijven”.

Toen realiseerde ik me waarom ik mij steeds zo opwind over het verdwijnen van de bibliothecaris uit de bibliotheek: omdat dit soort basiskennis van het vak uit de branche dreigt te verdwijnen als we niet oppassen. En ja dat is erg. Nee, zeker niet iedereen die in een openbare bibliotheek werkt hoeft te kunnen titelbeschrijven. En nee, ook niet iedereen hoeft te weten hoe je een catalogus opbouwt of hoe je de IFLA regels voor de ISBD toepast. Maar er moeten in elke organisatie een paar mensen zijn die dat wel weten. Die van de hoed en de rand weten. En niet omdat iemand ze snel even de grote lijnen heeft uitgelegd maar omdat ze echt weten waar ze het over hebben. Het hoeven geen specialisten te zijn, die zitten bij de NBD en de KB. Maar in je eigen organisatie heb je mensen nodig die met die specialisten kunnen praten en die ze kritisch kunnen volgen. Is dat een dagtaak? Nee zeker niet, althans niet in de gemiddelde openbare bibliotheek, maar het is wel een belangrijke taak. Dat geldt niet alleen voor titelbeschrijven maar ook voor andere basis bibliotheekprincipes. Wat is het verschil tussen een trefwoord en een hoofdwoord? En tussen een trefwoord en een classificatienummer? Waarom is Siso een classificatie- én plaatsingssysteem en Pim alleen een plaatsingssysteem? En waarom is het ene wel of niet beter dan het andere? Allemaal heel erg on-sexy vragen. En je stelt ze zeker niet elke dag en zelfs niet elk jaar; maar dat maakt ze niet minder belangrijk, want principieel. Omdat we het over dat soort principiële dingen nog maar zelden hebben in de openbare bibliotheekwereld (want hoera, NBDbiblion regelt dat voor ons) realiseren veel mensen in de branche zich niet welke systemen en structuren de grondslag vormen van het bibliotheekwerk. Dát er überhaupt meer systemen zijn dan je op het eerste gezicht ziet. Met als gevolg dat als er eens een discussie over gevoerd moet worden dat al snel wordt afgedaan als geneuzel “want waar hebben we het eigenlijk over?”. Inderdaad: jij weet niet waar deze discussie over gaat maar dat wil niet zeggen dat het niet belangrijk is.

Voor alle duidelijkheid: ik had een hekel aan het vak Documentaire informatiesystemen. Ik vond het ontzettend saai en ik zag er absoluut het nut niet van in. Net zoals ik ook niet begreep waarom meneer Van Nistelrooij zo enthousiast werd van het uitleggen van het UDC. Al was dat enthousiasme wel heel aandoenlijk. Maar ik was 18 toen en het personeelsbestand van openbare bibliotheken bestond voor meer dan de helft uit mensen met een bibliotheekopleiding. Tijdens werkoverleggen, of zelfs tijdens koffiepauzes, werd er soms eindeloos gediscussieerd over de catalogus, over trefwoorden en over wel of geen dubbelplaatsing. Bij dat soort discussies haakte ik meestal snel af. Dat mocht, want ik was de jeugdbibliothecaris dus ik had een andere taak. Maar ik snapte de discussie wel en ik kon (als het moest) ook meepraten want er was genoeg blijven hangen van wat ik op de bibliotheekacademie had geleerd. Als over 20 jaar de laatste mensen met pensioen gaan die nog een klassieke bibliotheekopleiding hebben gehad is er niemand meer over die dat nog kan. Althans: zolang er geen nieuwe opleiding terug komt.

Maar is dat eigenlijk niet ontzettend achterhaald allemaal? Als die nieuwe bibliotheekopleiding op hbo-niveau er ooit komt, moet al dat gedoe dan nog onderwezen worden? Die bibliotheken die bestaan nou toch gewoon? En het gaat toch goed? En er zijn toch veel belangrijkere zaken waar je je als bibliotheek mee moet bezig houden dan de catalogus en titelbeschrijvingen? Het sociaal domein, laaggeletterdheid en educatie bijvoorbeeld? Ja, dat zijn belangrijke onderwerpen waar we zeker veel energie in moeten stoppen, maar we moeten de basis niet vergeten. De bibliothecaris in het artikel dat ik hierboven noemde benadrukt het belang van een classificatiesysteem nog eens. In de Verenigde Staten is Information Resources onderdeel van het curriculum van de studie Library en Information Sciences en dat vak gaat onder andere over: standards for information organization and access, including cataloging rules and formats, content analysis, indexing, classification. Het is maar een van de vele vakken binnen de studie en ik wil zeker niet beweren dat in een nieuwe Nederlandse bibliotheekopleiding net zo veel uur besteed moet worden aan Classificeren, Sorteren en Documentaire Informatie als in onze tijd, want wij hadden die vakken een heel jaar lang, soms zelfs twee jaar. Maar dat er structurele aandacht voor moet zijn staat wat mij betreft buiten kijf. En dat we zuinig moeten zijn op de mensen in de branche die nog over dit soort basiskennis beschikken ook.

En voor wie het niet herkend had: het plaatje hierboven is de klassieke beginscene van Ghostbusters, in de New York Public Library.

Cijfers vertellen geen verhaal

 

Aan de hand van de cijfers over bibliotheken die het Ministerie van OCW onlangs heeft gepubliceerd heeft Mark Deckers de afgelopen weken op zijn blog een aantal lijstjes gepubliceerd. Hij heeft cijfers met elkaar vergeleken en aan de hand daarvan heeft hij overzichtjes gemaakt van o.a. welke bibliotheek in Nederland de meeste materialen heeft uitgeleend, welke de meeste activiteiten heeft georganiseerd en wie de meeste bezoekers heeft gehad. In het eerste deel uit de serie roept hij bibliotheken op om zich in de cijfers te verdiepen want voordat je het weet wordt je met die cijfers door iemand om de oren geslagen. Naar aanleiding van zijn laatste exercitie werd ik door verschillende mensen gefeliciteerd, want in het lijstje van bibliotheken met de jongste medewerkers stonden Bibliotheek Bibliorura op de eerste plaats. Het is altijd leuk om ergens nummer 1 te zijn en als “petemoei van het Jonge Bibliothecarissen Netwerk” vind ik het natuurlijk extra leuk om nou net in dit lijstje bovenaan te staan. Maar het slaat natuurlijk nergens op.

Sorry Mark.

Die cijfers zullen ongetwijfeld kloppen. En die vergelijking ook. Maar zijn wij de bibliotheek met de jongste bibliothecarissen? Want dat zegt de kop boven het stuk. Het antwoord is: nee dat klopt niet.  In het overzichtje waar wij op nummer 1 staan is het al beter verwoord: wij hebben het jongste personeel. Althans: wij hebben het hoogste percentage medewerkers onder de 30 jaar. Maar wat zegt dat? Dat wij hipper zijn? Of moderner of beter de vinger aan de pols houden bij de jeugd? Zo’n cijfer zegt helemaal niks. Het zijn appels en peren die je in zo’n lijstje met elkaar vergelijkt. Ik ben niet de eerste die dat zegt, bij verschillende van Mark’s stukjes staan al reacties met die strekking. Maar daar wordt ook weer aandacht gevraagd voor het project Effectmeting van de VOB. En daar word ik dan weer een beetje zenuwachtig van.

Er is niks mis met meten en ook niet met het meten van effecten. Maar ik wil juist zo graag weg van die focus op getallen, van dat afrekenen aan de hand van cijfers. Ik wil praten met gemeentes: wat willen jullie? Waar worden jullie blij van? Waar heeft deze gemeente behoefte aan, wat gaat hier werken? Daar gaat het mij om. Dat is voor mij het allerbelangrijkste. En dat staat helemaal los van wat er bij de KB of bij de VOB bedacht wordt aan acties en campagnes. Met die insteek hebben wij een aanbesteding gewonnen. Niet met cijfers. De enige cijfers die in ons aanbestedingsstuk stonden waren financiële cijfers. Het had geen SMART geformuleerde doelen maar een goed verhaal. We schetsten een duidelijk beeld van de toekomst dat aansloot bij wat er leefde in de verschillende kernen van de gemeente. Dáár wonnen we mee.

Cijfers zeggen helemaal niks. Als je kijkt naar het overzicht van actieve bibliotheken zie je dat er  gemiddeld 496 activiteiten per jaar worden georganiseerd. Om wat voor soort activiteiten gaat het dan en hoe tellen ze dat? Wij hebben maar één vestiging, zelfs als ik elke dag van het jaar een activiteit in de bibliotheek zou organiseren haal ik het landelijk gemiddelde niet, en wij zijn 360 dagen per jaar open. Of mag ik de boekenkringen die onze leesconsulenten op scholen organiseren ook  meetellen? Dan schiet ik al een heel eind richting de top 10. Ben ik dan niet actief? Omdat ik het landelijk gemiddelde niet haal? Of ben ik juist heel actief omdat ik met mijn leesconsulenten op bijna alle basisscholen in het werkgebied zit?

Ik snap heel goed dat Mark ons met zijn blogs wil voorbereiden op het volgende commerciële bedrijf dat met die cijfers aan de slag gaat. Dat met wat makkelijke staatjes ons of onze gemeentes gaat benaderen om te roepen dat het allemaal efficiënter/beter/goedkoper/makkelijker kan als we het lot van de bibliotheek maar in hun handen leggen. Maar ik ga er van uit dat we dat stadium inmiddels voorbij zijn en dat niemand daar meer in trapt. De meeste gemeentes hebben dat soort brieven de afgelopen jaren opzij gelegd, al dan niet na een telefoontje met hun bibliotheekdirecteur. Soms grinnikend, soms zuchtend en soms leidde dat tot indringende gesprekken en/of discussies. En ja, een paar gemeentes zijn wel in het verkooppraatje getrapt dat ze hetzelfde kunnen krijgen als ze al hadden voor minder geld. In een enkele gemeente heeft het zelfs grote politieke consequenties gehad voor de wethouder in kwestie. Maar in het algemeen leidde deze benadering tot niets. Want de waarde van de bibliotheek is heel lastig uit te drukken in cijfers.

Dat wil uiteraard niet zeggen dat je geen cijfers nodig hebt: tuurlijk, prima dat ze er zijn. Handig hulpmiddeltje. Nogmaals: ik zeg niet dat we niet moeten meten en rekenen, maar laten we daar alsjeblieft niet al te veel energie in stoppen. Want het gaat niet om cijfers, het gaat om het verhaal dat je vertelt. Ik ben zo bang dat we zo meteen de ene set cijfers door de andere gaan vervangen. Dat we ons in plaats van op uitleencijfers gaan laten afrekenen op het aantal activiteiten dat we organiseren. Het straalt iets wanhopigs uit: “we doen er echt wel toe hoor. Kijk maar: we hebben cijfers.” Maar we hebben een verhaal en dat is veel beter dan cijfers.

Om nog even terug te komen op onze eigen nummer 1 notering: bij ons is meer dan 37% van het aantal medewerkers onder de 30 jaar. Dat hoge percentage komt deels omdat onze opruimhulpen bij ons in dienst zijn en die zijn allemaal jonger dan 23 jaar. Zoiets suggereerde Mark al. Maar zoveel opruimers hebben we niet dus dat is niet de belangrijkste oorzaak. Wij hebben de afgelopen jaren vol ingezet op de Bibliotheek op School en onze leesconsulenten zijn op één na allemaal jonger dan 30 jaar. En bij zo’n relatief kleine organisatie als de onze is zo’n percentage dan al snel hoog. Bij ons is 42% van de medewerkers ouder dan 50 jaar, landelijk is dat gemiddeld 64%. Dus ja, wij hebben een relatief jong personeelsbestand. Voor wat dat waard is.

get_footer() ?>