Tenaanval

Tenaanval

Over bibliothecarissen, bibliotheken, leesbevordering en soms over kunst

beroepshouding

All of the posts under the "beroepshouding" tag.

Klanten opvoeden

koffieGeen idee waar dit briefje precies vandaan komt, maar ik kan me voorstellen dat het in meerdere Italiaanse cafés achter de bar hangt.

Geestig briefje. En ik begrijp het ook wel want er lopen wat botteriken rond in de horeca. Die lopen eigenlijk overal wel rond. Maar toch zou je zo’n briefje nooit in een bibliotheek zien. Want wij behandelen al onze klanten hetzelfde, wij maken geen onderscheid. OK, als je heel erg lomp bent zijn we misschien een ietsie-pietsie minder aardig dan normaal, en ja: wij hebben ook wel eens onze dag niet, maar in het algemeen zijn we altijd even vriendelijk tegen iedereen.

Als u ons niet groet bij het binnenkomen of als u maar blijft zeuren over die boete doen we toch ons best om u zo goed mogelijk te woord te staan. Als u moeite heeft met lezen of niet snapt hoe de computer werkt vinden wij dat niet raar en proberen we u toch gewoon te helpen. En zelfs als u kinderen hysterisch worden omdat ze ruzie krijgen over wie de boeken in de inleverbrievenbus mag gooien proberen we onze irritatie te verbergen.

En ja, wij hebben ook zo onze favoriete bezoekers, maar dat proberen we zo onopvallend mogelijk te laten merken. We accepteren onze klanten in elk geval zoals ze zijn en we proberen ze niet op te voeden. Want de openbare bibliotheek is voor iedereen. Ook voor botteriken.

Dribbelige bibliothecarissen

Artis5Toen ik ’s ochtends op dat IBBY conferentieoord kwam voelde ik me al kribbig worden. Ik had het idee dat ik weer terug was in de bibliotheekwereld van 1930. Die werd toen uitsluitend bevolkt door vrouwen, die als hennen heen en weer liepen en deden of ze iets goed konden organiseren. Ik ben echt niet tegen vrouwen, maar dit soort dat zo dribbelig dingen verkeerd doet daar had ik vroeger al weerstand tegen en dat gevoel was er gisteren weer.

Annie M.G. Schmidt, 1988

Bovenstaand citaat komt uit het boekje Annie M.G. Schmidt en de bibliotheek van Marcel Raadgeep, het nieuwjaarsgeschenk van de OBA. Heel herkenbaar die beschrijving. Niet erg aardig, dat “die deden of ze iets goed konden organiseren” maar ik snap wel meteen wat ze bedoelt. Het heeft iets te maken met de hang naar ordening en de regeldrift die veel bibliothecarissen hebben. De enorme behoefte aan praktisch bezig zijn en de zucht naar structuur en vastigheid. Dat was blijkbaar in de jaren ’30 zo en dat is nu nog steeds zo. Bij veel bibliothecarissen althans.

De branche wordt niet meer uitsluitend bevolkt door vrouwen, maar die drang is er nog steeds. En bij de vrouwelijke collega’s zie je dat sterker dan bij de mannen. De vraag is natuurlijk of die behoefte vanzelf ontstaat als je in een bibliotheek gaat werken, of dat mensen die houden van structuur kiezen voor het vak van bibliothecaris. Ik hou het op het laatste…

Maar ik heb er wel eens moeite mee: dat massaal duiken op een oplossing voordat helder is wat het probleem precies is. In mijn vorige stukje schreef ik er ook al over en de afgelopen dagen spookt het steeds door mijn hoofd: ik vind het lastig dat bibliothecarissen (en daarmee bedoel  ik mensen die in een bibliotheek werken, onafhankelijk van welke opleiding ze hebben) zo’n behoefte hebben aan modellen en formats. Eén bibliotheek heeft een oplossing gevonden voor een lokaal probleem en hup, die oplossing wordt rücksichtslos gekopieerd naar allerlei andere situaties. Zonder te kijken of dat wel past bij die andere situatie. Want ja:  het werkte daar dus dan werkt het hier ook. Zij een meubel, wij ook een meubel. Hunnie een steunpunt, wij ook een steunpunt. Begrijp me goed: er is niks mis met het overnemen van een goed idee: beter goed gejat dan slecht bedacht. Maar denk, voordat je meteen in de uitvoering springt, eerst eens na over je eigen situatie: is dit echt wel de beste oplossing voor jouw probleem? Heb je eigenlijk wel een probleem of vind je het alleen maar een leuk idee?

In het boekje over Annie M. G. Schmidt wordt een brief aangehaald die Schmidt in 1958 schrijft aan de Centrale Vereniging van Openbare Bibliotheken. Ze is dan al 12 jaar het vak uit, maar op verzoek blikt ze terug. Ze noemt de bibliotheek haar thuis. Ik kan u bijvoorbeeld zeggen ik vader haatte en moeder liefhad. Ik haast me erbij te vermelden dat ik met ‘vader’ niet een persoon bedoel. Met ‘vader’ bedoel ik hier de strenge orde van de apparatuur, de catalogi, de titelbeschrijving, het eindeloos gemier met puntkomma’s, dat was vader. En als vader dan de ordening was: met ‘moeder’ bedoel ik de ziel en de zin, namelijk de relatie tussen boeken en mensen, het liefdevol bij elkaar brengen van die twee, het aan elkaar schakelen van bepaalde boeken en bepaalde mensen.

Ik vind het een mooie beschrijving van de twee kanten van ons vak. Ze horen er allebei bij, ze zijn allebei belangrijk maar de ene kant ligt me nou eenmaal beter dan de andere. Ik ben meer ‘moeder’ dan ‘vader’. Maar dat vindt waarschijnlijk iedereen van zichzelf.

Leren van de Linda

Jildou van der Bijl, de meerdere malen bekroonde hoofdredactrice van het blad Linda was deze week te gast op een congres voor mensen in de commerciële communicatie . Ze werd daar geïnterviewd over het succes van haar blad. Dat succes zat hem volgens haar in een aantal dingen: scherp zijn, open en eerlijk communiceren en met plezier je werk doen. Niet echt wereldschokkend maar wel weer eens nuttig om te lezen.

Wat voor mij wel een eyeopener was is de volgende opmerkingJildou van der Bijl doet niet aan lezersonderzoek: “Dat vind ik zonde van het geld. Het is mijn vak om te weten wat lezers willen. En of ik het wel of niet goed heb gedaan, krijg ik via de verkoopcijfers weer terug. Je doet alleen onderzoek als je niks weet, of als je weet dat het anders moet, maar dat niet zelf durft te beslissen.”

Halleluja! Kunnen wij als branche dat ook eens een keertje doen? Zo’n zelfbewuste houding aannemen? In plaats van ons murw te laten slaan door externe deskundigen die ons maar blijven vertellen dat we het niet goed begrijpen? En ophouden met collectioneurs arrogantie te verwijten als die zeggen dat ze echt wel weten wat de klanten willen? Kunnen we ophouden met schemaatjes maken en puur op basis van cijfers de aanschaf te doen maar weer overstappen op onze kennis van het vak? Of is intussen alle vakkennis weggereorganiseerd?

In ieder geval: we mogen weer zeggen dat we er verstand van hebben, van wat de lezers willen. Want de Linda zegt het ook!

PS Van der Bijl heeft het over lezers in plaats van over klanten. En ze zou het ook niet in haar hoofd halen om haar lezers klanten te noemen. Waarom doen wij daar dan wel zo raar over?

De kracht van de bibliothecaris, #blogkermis

 “Wat is de kracht van een bibliothecaris?” is de vraag van de nieuwe blogkermis die is opgezet door Storiesguy. Ik werd er door een aantal mensen op geattendeerd, met het blogmotto Vindt dat bibliothecarissen veel te weinig voor zichzelf en hun eigen vak opkomen vraag ik daar waarschijnlijk ook om.

Volgens mij is de kracht van de bibliothecaris, de bibliothecaris zelf. Zijn kennis en zijn persoonlijkheid. Een bibliotheek bestaat niet zonder bibliothecaris, zelfs een onbemande bibliotheek heeft een bibliothecaris nodig want iemand moet toch zorgen dat die collectie er komt.

Een bibliothecaris moet in twee dingen goed zijn: hij moet sociaal handig zijn en hij moet zijn collectie goed kennen. Met sociaal handig bedoel ik niet alleen dat je veel mensenkennis moet hebben, je moet immers in een heel kort gesprekje snel kunnen inschatten wat het niveau van de vraagsteller is, maar je moet je ook in hem kunnen verplaatsen zodat je een antwoord geeft dat aansluit bij dat niveau. Bij een inloopochtend over ereaders en iPads benader je de oude dame die een iPad heeft gekregen van haar kinderen anders dan die oudere jongere die zich aan het oriënteren is op ereaders voor op vakantie en een dyslectisch kind dat zuchtend om een “leuk boek” vraagt krijgt een ander antwoord dan een fanatiek lezertje.

Je collectie goed kennen ligt voor de hand. Daarmee bedoel ik niet alleen dat je weet wat je zelf aan collectie hebt staan, maar ook (juist) wat er NIET staat. En dat je weet hoe je daar aan kunt komen. Niet alleen aan boeken (op papier of digitaal) maar aan alle vormen van informatie. En dat je niet alleen weet dat je het hebt, maar dat je er ook mee om kunt gaan. Het dyslectische ADHD jongetje krijgt een ander boek mee dan een dyslectisch paardenmeisje.

De bijdrages op de Blogkermis komen tot nu volgens mij niet uit de openbare bibliotheekwereld, als je in een universiteitsbibliotheek werkt zijn je bezoekers veel minder divers en kun je sneller inschatten wat voor niveau de vraagsteller heeft maar ook dan moet je sociaal handig zijn lijkt me.

Een onmisbare eigenschap voor elke bibliothecaris is nieuwsgierigheid. Je moet nieuwsgierig zijn naar wat de vraagsteller drijft en je moet nieuwsgierig zijn naar wat er om je heen gebeurd. Je moet een open oog hebben voor ontwikkelingen in de maatschappij (op ieder vlak) zodat je daar in je collectie en in je werk rekening mee kunt houden.

Met de vraag “is iedereen zijn eigen bibliothecaris” die ik ook voorbij zag komen kan ik niet zoveel. Ik denk dat mensen net zozeer hun eigen bibliothecaris zijn als hun eigen dokter. Je probeert ‘ns wat en als je er zelf niet uit komt ga je naar het spreekuur. Dat is niet specifiek beroepsgebonden.

Ter afsluiting voor degenen die Conan the librarian niet kennen: ’t is een klassieker…

Het verschil tussen de boekhandel en de bibliotheek

Wat boekverkopers echt van hun klanten vinden…. Deze tekst is blijkbaar geschreven door een of meerdere werknemer(s) van Borders, de inmiddels failliete boekhandelsketen in de Verenigde Staten.

Toen ik deze foto vorige week zag moest ik erg om lachen want zeg nou zelf: het is een geestige tekst. En ook wel herkenbaar op een aantal punten. Maar vanavond kwam hij weer voorbij en toen realiseerde ik me opeens dat je zoiets echt nooit in een bibliotheek zou aantreffen. Want uit deze tekst klinkt een ongekend dedain voor de klant. En ok, overdrijving is een stijlmiddel, maar hier zit volgens mij toch wel wat oud zeer. Klanten zijn lastig en dom, da’s wel zo’n beetje de teneur. En dat druist volledig in tegen de uitgangspunten van de bibliotheek.

We hate when a book becomes popular simply because it was turned into a movie. Nee hoor, een boek is een boek en een populair boek wordt tenminste veel uitgeleend. Waarom het populair is, vanwege een film of een tv-programma, maakt ons niet uit.

“I was just here last week and saw this book there” meant nothing to us. The store changed once a week.  De omschrijving “het heeft een blauwe kaft” is juist een uitdaging voor ons. Kijken of we het toch kunnen vinden. En blijkbaar heeft het toch ook z’n voordelen dat we niet zo flexibel zijn in onze inrichting :-).

We always knew when you were intently reading Better Homes and Gardens, it was really a hidden Playboy. Ok, we hebben geen Playboy maar we zien vaak wel dat bezoekers hun leesgoed (of internet) proberen af te schermen. Dat hoeft niet, want wij hebben geen mening over wat u leest. Echt niet.

It confused us when we were asked where the non-fiction section is. Ons niet hoor: er bestaan geen domme vragen, zeker niet in de bibliotheek. Dus als u vraagt waar de informatieve boeken staan dan lopen we gewoon even met u mee. En we gaan ook niet lachen als u denkt dat “romans” romantische boeken zijn.

Boekhandels willen boeken verkopen, liefst zo veel mogelijk, bibliotheken willen mensen iets bijbrengen. Ander uitgangspunt. En ik weet dat er mensen zijn die vinden dat bibliotheken zoveel mogelijk op boekhandels moeten gaan lijken of die denken dat omdat boekhandels failliet gaan, bibliotheken ook zullen verdwijnen. Maar dat zijn wat mij betreft appels en peren: lijkt op elkaar maar is toch echt iets anders.

Boter op het hoofd en zo..

 Een tijdje gelegen kreeg ik een mailtje van een bibliothecaris dat maar in mijn achterhoofd blijft rondzingen. De (mij onbekende) lezer reageerde op een ouder stuk over Beroepshouding en ze schreef o.a. het volgende:

Juist op een moment dat ik het, om het modieus te zeggen ‘helemaal gehad heb’ met de openbare bibliotheek-moraal van nu en ik eindelijk besloten heb me af te sluiten voor het vak anno 2011. (…) Ik ben dus precies het tegendeel van iemand die ‘Ten aanval’ roept. Ik heb dat een tijdlang erg oneervol en laf gevonden van mezelf, maar ik ben nu wel opgelucht. Niet meer gedwongen modieus, innovatief en verjongend moeten zijn, met de hete adem van de nieuwe tijd in je nek en zo wezenlijk andersdenkend. En wat kan ik terugverlangen naar mevrouw Zuyderhoudt en juffrouw Flapper en al die anderen. En naar mezelf, toen ik zo trots en blij was dat ik in de bibliotheek werkte.

Vooral die laatste zin trof me: “trots en blij” om in de bibliotheek te werken. Dat is denk ik precies wat er ontbreekt de laatste tijd. Natuurlijk zijn er een heleboel bibliothecarissen die wel trots zijn op hun bieb en gaan de meeste mensen wél blij naar hun werk maar voor mijn gevoel zijn er steeds meer mensen zoals deze bibliothecaris, die het opgegeven hebben, die geen zin meer hebben. En dat is zonde, niet alleen voor die mensen maar ook voor de branche. Die desinteresse is denk ik wel verklaarbaar, want de gemiddelde (openbare) bibliotheekmedewerker heeft nogal wat tegengestelde boodschappen gekregen in zijn carriere.

Op de BDAT werd ik opgeleid tot Jeugdbibliothecaris, we waren specialist, we moesten idealen hebben en we moesten de wereld beter gaan maken. Toen kwam Stef van Breughel ons vertellen dat ons werk eigenlijk helemaal niet specialistisch was en eigenlijk ook geen hbo-niveau en dat we ons dus vooral niks moesten verbeelden. Als gevolg daarvan moesten we allemaal generalisten worden, werd de hele boel omgegooid en werd bijna iedereen ongelukkig want iedereen moest werk doen waar die geen verstand van had. Nog later bleek er wel degelijk behoefte te zijn aan specialisten, maar dan vooral op hele andere gebieden wat tot de intocht van communicatie medewerkers, neerlandici en pabo-studentes leidde. Die in het algemeen niet lang bleven zodat we daarna werden overgenomen door marketeers en retailers.

En ik heb uiteraard niks tegen communicatie medewerkers, neerlandici, pabo-studenten en marketeers maar ik ben het principieel niet eens met het idee dat een branche gered kan worden door buitenstaanders. Wij (bibliothecarissen) zijn de branche, dus we moeten het zelf doen, we moeten ons zelf redden. De reactie die ik zie op al die niet-bibliothecarissen is tweeledig: mensen gaan óf achterover leunen want iemand anders komt nu de oplossing brengen en dus hoeven ze zelf niks meer te doen óf mensen geven het op en kruipen in hun schulp zoals in bovenstaand mailtje. In beide gevallen zetten de bibliothecarissen (de vakmensen) zichzelf buiten spel. En dat vind ik dom. Begrijpelijk, maar dom.

Wat ik nog veel dommer vind is de reactie van een heleboel bibliotheek managers daarop: namelijk ongeduld en irritatie. Want dat helpt namelijk niet. Je kunt niet eerst jarenlang roepen dat mensen niet deugen en vervolgens boos worden dat ze niet staan te trappelen om je blind te volgen. Want dat werkt natuurlijk niet. Begin eens met je mensen serieus te nemen, luister naar ze en geef ze vertrouwen. Sta niet alleen vanaf de de zijkant te roepen dat “ze” het niet goed doen maar doe zelf ook moeite en geef het goede voorbeeld. Zelfs als jij nog niet in deze organisatie werkte ten tijde van Stef van Breughel en ook als jij nooit gezegd hebt dat jouw medewerkers niet deugen. Zeg eens dat ze wél deugen, da’s veel effectiever. En ja, het is heel vervelend dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid niet nemen, maar stampij maken helpt dan niet, daarmee kruipen die mensen alleen nog maar verder in hun schulp. Zorg dat ze daar weer uitkomen, op wat voor manier dan ook.

Zorgen dat die teleurgestelde bibliothecarissen weer enthousiast worden en weer trots zijn op hun vak, dat lijkt me de uitdaging voor de toekomst. Want we hebben trotse bibliothecarissen nodig in deze barre tijden. Broodnodig

Passie en inhoud

 Vorige week schreef Marina Polderman een gastblog op de site van Bibliotheekblad en die is me uit het hart gegrepen. In het blog verbaast ze zich over het feit dat ze het personeel in een bibliotheek nooit eens inhoudelijk over boeken hoort praten. Misschien heb ik het mis, maar ik heb de indruk dat vaak de nieuw binnengekomen collectie vooral administratief wordt verwerkt, voorzien van het juiste label en neergezet op de juiste plaats. Waarbij over de plaatsing tegenwoordig natuurlijk uitgebreid wordt nagedacht.

Dat is volgens mij in de meeste bibliotheken inderdaad zo. We hebben het zo druk met cijfers en analyses en projectplannen dat de inhoud, waar toch onze expertise zit, uit het zicht dreigt te raken. Ik vraag me af in welke bibliotheken er nog structureel over boeken wordt gepraat? Behalve dan in Oss.

Vorige week was ik in de Kunstkapel, bij Vonk in de Zuidas, een tentoonstelling van jonge, pas afgestudeerde kunstenaars. Nadat ik daar vijf minuten had rondgelopen kwam er iemand aan mij vragen of hij mij misschien iets meer mocht vertellen over de kunstenaars “want ik heb deze tentoonstelling mee samengesteld”. Daar hou ik normaal niet zo van, maar hij was zo trots op de kunstenaars en hij kon er zo enthousiast over vertellen dat ik er heel veel langer heb rondgelopen dan mijn bedoeling was. Ik heb daardoor meer gezien van de kunst dan wanneer ik geen toelichting had gekregen en er waarschijnlijk ook meer van genoten. 

Zoiets doen wij als bibliothecarissen nou nooit. Jammer. Ik heb me in het verleden vaker druk gemaakt over de tanende aandacht voor lezen in de bibliotheek en dit vind ik wel een mooi signaal. Misschien moeten we in de Bollenstreek ook maar eens beginnen met een boekenuurtje tijdens een werkoverleg. Want de passie moet terug in het vak en je moet ergens beginnen…

Waar ik bibliothecaris werd

Gisteravond ben ik uit eten geweest met een aantal ex-collega’s. Ik ben al bijna 11 jaar weg uit de bibliotheek waar we ooit samen werkten maar het blijft leuk om die collega’s weer eens te spreken. Inmiddels werkt bijna iedereen ergens anders (of is gepensioneerd, het is een zeer gemêleerd groepje) maar dat gezamenlijke verleden verbindt ons.

Toen ik naar huis fietste realiseerde ik me opeens waarom die bibliotheek  zo belangrijk is geweest voor me: dáár ben ik een bibliothecaris geworden. Een echte. Toen ik daar begon met werken (eerst als invaller) had ik een bibliotheekdiploma en een paar jaar ervaring op de PBC Noord-Brabant maar wist ik eigenlijk nog niet zo veel over het vak. Ik kon titelbeschrijven en sorteren en ik wist van alles over de geschiedenis van jeugdliteratuur en over documentaire informatie maar de eerste keer dat een oudere meneer mij vroeg “of ik even wilde helpen met het zoeken van een aardig leesboek” had ik daar weinig aan. Met een greep op goed geluk en een beetje hulp van een collega ging die meneer redelijk tevreden de deur uit maar ik realiseerde me dat ik nog veel moest leren.

En dat is ook gebeurd. Van de bevlogen en ervaren bibliothecarissen die daar werkten heb ik in de praktijk het vak echt geleerd. Ze wisten veel en waren streng, vooral als het ging om omgaan met het publiek. Een van de vaste stelregels was: een klant mag nooit met lege handen de deur uit. Al stuur je hem maar weg met een telefoonnummer van een instantie waar ze het antwoord wel weten of met een kopietje uit een encyclopedie (ik heb het over de prehistorie, het internet bestond toen nog maar net…). Het was volstrekt normaal dat er met alle scholen in de gemeente intensief contact was en dat er een groot educatief aanbod was. De scholen voor het speciaal onderwijs kwamen zelfs elke zes weken naar de bibliotheek “want die kinderen hebben dat steuntje in de rug extra hard nodig”. Kinderboekenweekfeesten, Kinderjury, Voorleeswedstrijden, you name it en we deden mee. Uiteraard. Samen met de Schouwburg (voor de centrale) of het buurthuis (voor de filialen), net hoe het uitkwam. Wij vonden de bibliotheek belangrijk en we vonden het werk dat we deden belangrijk en daar was onze omgeving het mee eens. En dat vonden we volstrekt normaal.

Pas toen ik bij ProBiblio ging werken en zag hoe het er in andere bibliotheken aan toe ging kreeg ik door dat lang niet iedereen dat zo normaal vond. Dat het op een aantal plekken heel anders ging. Omdat daar minder geld was en een andere infrastructuur maar vooral omdat daar andere mensen werkten met andere opvattingen over hoe je je als bibliotheek dient op te stellen. Die veel afwachtender waren en veel passiever. Die ook veel minder lol in hun werk hadden. Want wij hadden erg veel plezier in wat we deden (meestal dan).

Ik heb er 9 jaar gewerkt, maar het waren vormende jaren. Dáár ben ik bibliothecaris geworden. Een echte. Een goeie. Al zeg ik het zelf.

Overigens komt de foto hierboven uit het Geheugen van Nederland met deze begeleidende tekst: Dit is het Friese meisje Elsje Klink (12) temidden van haar klasgenoten op de L.T.S. te Sneek. Elsje wil “timmerman”worden en aangezien haar ouders daarmee akkoord gaan staat zij nu als enige vrouw haar mannetje met zaag en hamer. 

Waar elke bibliothecaris wel eens van droomt…

…  maar natuurlijk nooit doet, want daar zijn we te professioneel voor.

De titel van het filmpje verraadt al wat er gaat gebeuren, maar het einde is toch nog onverwacht. Zou dat werken, in het echt?

Lekker belangrijk

Een paar jaar geleden vertelde een goede vriend dat hij op zijn werk mailtjes die voorzien waren van zo’n prioriteits uitroepteken niet meer opende. “Want die gaan nooit echt ergens over”. Ik was daar lichtelijk geshockeerd over maar zag het vooral als teken van zijn eigenwijsheid.

Ik kreeg namelijk maar heel zelden zo’n mailtje, en als ik er een kreeg dan was er ook echt iets aan de hand en moest ik daar met de hoogste spoed op reageren.  Marc was jurist op een ministerie en volgens hem werd die prioriteitsmelding grof misbruikt. “Als het echt belangrijk is komen ze wel naar mijn kamer of pakken ze de telefoon. En nee, dat gaat nooit mis, er heeft nog nooit iemand gemerkt dat ik niet reageer. Het zijn namelijk altijd dezelfde mensen die dat doen en die zijn niet interessant, die willen zichzelf belangrijk maken door dat gedoe.” Heel typisch vond ik dat. Maar ja, misschien gaat dat zo op een ministerie.

Inmiddels begrijp ik het een stuk beter. In mijn omgeving zijn intussen ook een aantal collega’s die er een handje van hebben om hun mails de hoogste prioriteit mee te geven. Ik open wel alle mail, maar ik ben een paar maanden geleden begonnen om niet meer overal meteen op te reageren. Met die prioriteitsmeldingen valt het bij mij wel mee, ik krijg vooral veel mails die in hele algemene termen gesteld zijn, met een vage vraag of onduidelijke opdracht. Het lijkt wel alsof die verstuurd worden omdat het moet, of uit een soort van controlereflex, niet omdat iemand echt iets wil weten of echt iets wil meedelen. Brave bibliothecaris als ik ben beantwoord ik al mijn mail het liefst per ommegaande, maar op dat soort mails kreeg ik nooit een reactie terug dus ik ben ook maar eens gaan experimenteren. En Marc had gelijk: er heeft tot nu toe nog niemand gereageerd dat ik niet gereageerd heb.

Het is uiteraard niet zo dat ik al mijn mail niet beantwoord, maar op de vage mailtjes op hoge toon die gericht zijn aan minstens 15 personen reageer ik niet meer. Of de vragen van collega’s “of ik ze op hoogte kan houden van de ontwikkelingen” binnen projecten waar ze verder los van staan, zonder enige toelichting. Wat is dat voor een rare gemakzucht? Kiep het maar over de schutting, leg het maar op iemands anders bordje dan hoef ik er zelf geen moeite meer voor te doen? Of is het gewoon een schot hagel? Kijken wat het oplevert, niet geschoten is altijd mis? Maar goed, op dat soort eisen reageer ik dus niet meer. Dat is wel zo rustig. Kan ik me tenminste bezig houden met mijn eigen werk in plaats van dat van iemand anders.

Marc is anderhalf jaar geleden overleden, maar hij krijgt postuum gelijk. Bedankt Marc!

get_footer() ?>