Tenaanval

Tenaanval

Over bibliothecarissen, bibliotheken, leesbevordering en soms over kunst

De toon die je aanslaat

23 september 2010 | 7 Comments

Bij mijn bezoek, recentelijk, aan de grote musea van Londen viel me de open manier op waarop zij het publiek benaderen. Nou begint het verschil met Nederland  natuurlijk al bij de ingang want alle musea in Londen zijn gratis en je wordt, vrij dringend, verzocht een donatie te doen. Alleen al de verschillende manieren waarop je zo’n verzoek kunt doen is een studie waard.

Eenmaal binnen word je op een hele vriendelijke manier ontvangen, niet eens zozeer door het personeel want dat is net zo aardig of onaardig als bij ons. Maar er is iets in de manier waarop je als bezoeker benaderd wordt en waarin de musea met hun collectie omgaan die anders is dan bij ons. Ik probeer al een paar dagen om voor mezelf te formuleren waar het verschil nou precies in zit maar ik kom er niet helemaal uit. Het heeft iets te maken met de toon die ze aanslaan: trots maar niet uit de hoogte, informatief maar niet saai en educatief maar niet kinderachtig. Misschien is het gewoon de Engelse manier van praten, dat zou kunnen, maar dat is niet het hele verhaal.

Het zit hem ook in de manier waarop ze tentoonstellingen maken, het verhaal dat ze vertellen met hun collectie en vooral het plezier dat ze uitstralen. De overtuiging dat het heel belangrijk is wat ze doen en dat ze zoveel mogelijk mensen willen laten meeprofiteren van het genoegen dat zij beleven aan al die mooie en interessante dingen. Ze hebben een duidelijk idee van wat ze willen zeggen en ze verplaatsen zich in de bezoeker om zeker te zijn dat hun boodschap goed over komt. Misschien zit daar het verschil met Nederlandse musea: die gaan veel meer uit van het grote idee en van de gedachten van de tentoonstellingsmaker daarbij, niet van de kennis of de mening van de toeschouwer.

Dat levert een tentoonstelling op als bijvoorbeeld Close Examination in de National Gallery. Van een relatief saai onderwerp als kunsthistorisch onderzoek maken ze met een spannende titel en een Da-Vinci-code-achtig affiche een boeiende tentoonstelling, waarin bijvoorbeeld aan de hand van pigment-onderzoek wordt aangetoond dat het schilderij Oude man in een leunstoel níet van Rembrandt is. De bijbehorende teksten zijn interessant maar niet eenvoudig, voor de vaktermen wordt er een woordenlijst bijgeleverd. Het werkt, want het was druk op de tentoonstelling. Ik verwachtte dat mensen zouden afhaken als zou blijken dat de tentoonstelling niet gericht was op spanning en sensatie (over meestervervalsers en oplichting) maar dat was niet zo: alle teksten werden uitvoerig bestudeerd.

Ik wil best geloven dat Nederlandse musea ook proberen om zich te verplaatsen in hun publiek, en het lukt misschien ook best wel eens, maar over het algemeen overheerst in Nederland toch altijd een van beiden: óf de tentoonstellingsmaker met zijn theoretisch kader óf de communicatiemedewerker met zijn “als-het-maar-niet-te-moeilijk-is”. Het gaat nog niet eens zozeer over de moeilijkheidsgraad van een tekst maar meer over de toon die wordt aangeslagen. Het Rijksmuseum komt een heel eind in de buurt, bijvoorbeeld met hun tentoonstelling van Jan Six (heel chic dat ze die hele tentoonstelling op internet zetten overigens) maar dat is wel een uitzondering.

Op de foto hierboven zie je de ingang van Tate Modern, op de achtergrond zie je o.a. de werkzaamheden van de uitbreiding van het museum. Explore, experience and enjoy: hoeveel musea hebben dat zo nadrukkelijk geformuleerd en handelen daar ook naar? Toen ik dat zag moest ik meteen aan de kernfuncties van de bibliotheek denken (eens een bibliothecaris, altijd een bibliothecaris). Dat “experience” is in de bibliotheek iets dubieuzer (de beleefbibliotheek is toch nooit echt goed aangeslagen) maar “explore” en “enjoy” past natuurlijk wonderwel. En wat doen bibliotheken daar dan mee? Hoe serieus nemen wij die zelfopgelegde opdracht? Bibliotheken zijn toch vaak verstrikt in in de dagelijkse gang van zaken en komen daardoor niet echt toe aan het invulling geven aan die verdieping van hun taak. Daar hangt die manier van hoe je je publiek benadert ook weer mee samen: als je daar eigenlijk niet genoeg tijd voor hebt, heb je al helemaal geen tijd om goed na te denken over de toon die je daarbij aan slaat. Dat leidt tot een vicieuze cirkel want als je niet de juiste toon aanslaat komen de mensen niet en als je niet genoeg mensen bereikt mag je er van je directeur minder tijd aan besteden want je doelgroep is te klein.

Lastig.

7 people are talking about “De toon die je aanslaat

  1. Het is niet alleen de toon van de musea in Londen die mij goed bevalt, maar ook de geboden mogelijkheden om de diepte in te gaan. Als bibliotheken iets willen doen in het kader van “explore and enjoy”, stel ik voor bezoekers inhoudelijk uit te dagen.

  2. Het doet me denken aan het motto van de BBC: to educate and to entertain. Dat lukt ze vaak, en wel zonder betuttelend of moraliserend te zijn. Maar wel smaakvol, vooral dat.

    In een bibliotheek wil ik trouwens vooral vinden wat ik zoek. Een museumbezoeker is onbevangen, een bibliotheekbezoeker heeft een doel. Dat is een wezenlijk verschil.

  3. @Rolf,
    Er is inderdaad verschil tussen een museumbezoeker en een bibliotheekbezoeker, maar er zijn meer overeenkomsten dan je denkt. Veel bezoekers van de bibliotheek zoeken niet een specifieke titel, maar een leuk/spannend/ interessant boek. Het is dan aan de bibliotheek om daar een goed antwoord op te hebben en dat is voor elke bezoeker weer anders.
    Naar een museum ga je niet helemaal onbevangen, want je weet enigszins wat je te wachten staat: je hebt zelf gekozen voor een fotografiemuseum of voor een tentoonstelling over tuinkabouters.

  4. Een museumbezoeker is veel meer onbevangen, een bibliotheekbezoeker heeft meestal een doel.

    Wat mogelijk goed werkt in een musea, hoeft dus helemaal niet goed te werken in een bieb.

    In een bibliotheek wil ik helemaal niet ‘benaderd worden’. Ik wil het liefst zo snel mogelijk vinden wat ik zoek. Wat ik zoek weet ik van te voren al wel, ongeveer.

    Of bibliotheek X het heeft kan ik gelukkig meestal thuis al zien. Als bibliotheek X het niet heeft, welke heeft het dan wel? Die vraag is vaak niet snel te beantwoorden.

    Nou vind ik struinen in catalogi op zich wel leuk. Noem dat exploreren, vooruit.

    Maar in sommige gevallen is kopen via internet toch de snelste weg naar de boeken die ik zoek.

    Houdt de informatieprofessional de toegang naar interbibliothecaire catalogi geblokkeerd voor de gewone mens? Ik weet het niet, het lijkt er wel op. Het zal geen boze opzet zijn, maar vanwaar dat onvermogen om tot iets werkends te komen?

    Enfin, de informatieprofessional zit in beleidsvergadering of moet de administratie nog doen.

    Dus wat doet dan de gewone mens? Jawel: Googelen.

  5. Ik heb het over openbare bibliotheken, niet over wetenschappelijke of bedrijfsbibliotheken. Het merendeel van de bezoekers van de openbare bibliotheek is niet, zoals jij, op zoek naar een specifieke titel of naar specifieke informatie maar heeft vaak een veel algemenere vraag. Eentje die niet zo gemakkelijk door een systeem te beantwoorden is.

    Voor de googelaars heeft de openbare bibliotheek minder te bieden, maar die hebben de bibliotheek ook minder hard nodig, want die kopen hun boeken wel, al dan niet via internet. Maar er zijn (nog) heel veel mensen die niet zo handig zijn, of die het geld niet hebben om alles te kopen wat ze willen lezen. En op die mensen richt de bibliotheek zich vooral. Daar zou ze zich in elk geval op moeten richten vind ik. Niet zichzelf als maat der dingen zien maar zich richten op mensen met minder opleiding en minder digitale ervaring.

    Wat niet wegneemt dat het belachelijk lang duurt voordat er één landelijke bibliotheekcatalogus is, dat ben ik met je eens.

  6. Leuke discussie 🙂 Ik ben meestal op zoek naar onderwerpen, niet naar titels. De ‘ontsluiting’ (vreselijke term) via trefwoorden laat nogal te wensen over, vind ik.

    Maar voor achtergrond en verdieping is de Openbare wel degelijk mijn eerste halte. Tot universiteitsbieben heb ik officieel geen toegang, tot bedrijfsbieben al helemaal niet.

    De biebwereld is (zo te zien) nog steeds niet bekomen van de schok dat de vindbaarheid die Google biedt, beter werkt klassieke catalogisering. Paniek! We moeten iets doen! Maar wat? En wie betaalt dat?

    Ik weet het niet, maar ik denk dat het ongeveer zo gaat. Heb ik het mis?

    Het heeft de schijn van een onoplosbaar probleem, en dat komt door geld. Google heeft van meet af aan munt geslagen uit doeltreffende zoekresultaten. Bibliotheken hangen aan de één of andere subsidiekraan en opereren democratisch, wat garant staat voor dolend beleid.

    Maar de strijd bij voorbaat opgeven, dat is het kind met het badwater weggooien.

    Die boeken moeten toegankelijk blijven, daar gaat het om, daar zijn we het over eens, denk ik.

    Praat de bibliotheekauthoriteit met Google? Dat zou niet verkeerd zijn. Samenwerken is denk ik de weg.

  7. Je analyse komt in de buurt :-). Maar bibliotheken zijn niet zozeer geschrokken van de opkomst van Google, die zagen we wel aankomen, alleen is het lastig daarop een antwoord te formuleren. Dat heeft te maken met de onwil van de verschillende leveranciers van automatiseringssystemen om met elkaar samen te werken, eigenwijsheid van bibliotheekdirecteuren en gebrek aan geld.

    Overigens is er niks mis met het catalogiseren an sich, het probleem is alleen: hoe zorg je ervoor dat wanneer je een auteursnaam intypt in Google (of willekeurig welke zoekmachine) je behalve Bol.com en Amazon ook “De bibliotheek” krijgt?
    Er wordt nu hard gewerkt aan een landelijk systeem, volgens mij wordt dat binnenkort opgeleverd, waarmee in elk geval al die verschillende bibliotheekcatalogi aan elkaar gekoppeld worden zodat je meer massa hebt.

    Overigens: zonder subsidiekraan geen openbare bibliotheken. Een gemeentelijke subsidiekraan wel te verstaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *