Tenaanval

Tenaanval

Over bibliothecarissen, bibliotheken, leesbevordering en soms over kunst

Blogberichten

All of the posts under the "Blogberichten" category.

Een boekenpoetsmachine

“A behind-the-scenes look at how we remove dust from our books. It’s like a mini car wash for books, minus the water!” twitterde de Boston Public Library onlangs. Fascinerend en ook wel een beetje bizar. Ik kan er in elk geval uren naar kijken: naar deze afstofmachine voor boeken. Ik weet niet of alle boeken die in Boston worden teruggebracht door deze machine gaan of dat ze hem alleen gebruiken om de collectie in het magazijn af en toe op te frissen. Openbare bibliotheken hebben in de Verenigde Staten vaak een ander soort collectie dan wij in Nederland, in elk geval die in de steden. Onze Amerikaanse collega’s combineren het vaak met een archief- of bewaarfunctie. En ja, boeken kunnen stofnesten zijn als je ze niet goed bewaard.

Twitter verwees mij ook naar een artikel in het Library Journal, het Amerikaanse vakblad, over book cleaning products. Daar blijkt een hele wereld achter te zitten van apparaten en hulpstukken en technieken. Vooral de filmpjes op youtube opende nieuwe werelden voor me: er zijn speciale stofzuigers waarmee je de bovenkanten van boeken kunt zuigen en verrijdbare schoonmaakmachines waarmee je voor de kast kunt gaan staan en zelfs schudmachines die de bladzijdes laten wapperen. De filmpjes zijn in het algemeen al wat ouder en daarom een beetje traag en pompeus, maar daarom des te hilarischer. Vind ik dan.

Overigens denk ik niet dat ze in Boston de boeken die worden teruggebracht door dit apparaat halen: boeken die zijn uitgeleend zijn juist niet stoffig. Nat soms of plakkerig, dat wel. Dat probleem hebben ze in wetenschappelijke bibliotheek dan waarschijnlijk weer minder: zand tussen de bladzijden, of restjes shag en dode muggen. En limonade of kauwgom op het omslag. Dat los je met een beetje wapperen niet op. Daar heb je een fles glassex voor nodig. Of erger. In ieder geval een fanatieke bibliotheekmedewerker. Het lijkt me niet iets waar je een machine voor kunt bouwen. Maar ik verbaas me nergens meer over.

Het Museum van mislukkingen

Iedereen die het bericht van gisteren in het NRC gemist heeft stel ik graag voor aan het Museum of Failure in Helsingborg, Zweden. Een initiatief van Samuel West, organisatiepsycholoog en innovatieonderzoeker. In zijn museum verzamelt hij mislukkingen, of beter gezegd: hij verzamelt mislukte producten. West is het museum begonnen omdat hij het zat is dat iedereen zo geobsedeerd is door succes, volgens hem zijn mislukkingen veel interessanter.  Every failure is uniquely spectacular, says West, while success is nauseatingly repetitive. In zijn verzameling zitten technische mislukkingen maar ook dingen waarvan je je niet kunt voorstellen dat er in het productieproces echt niemand heeft gezegd “jongens, moeten we dit wel doen?” (de Bic-pen voor vrouwen!). In dit filmpje laat hij een paar voorbeelden zien. Ik vind het leuk.

Waarschijnlijk sloeg ik aan op het krantenbericht omdat ik eerlijk gezegd een beetje genoeg begin te krijgen van succesverhalen. En van innovatie. Ik kan dat woord niet meer horen, zeker niet in bibliotheekverband. Noem het innovatie of innovatief en je krijgt applaus en je idee wordt omarmd. Je kunt er subsidie voor krijgen en prijzen mee winnen. Voldoet het aan een behoefte? Lost het een probleem op? Is het effectief? Nee, maar het is wel innovatief, dus hoera. Hou daar eens mee op. Ga gewoon eens je werk doen en kijk of je dat nog beter kunt doen. Of je je klanten/gebruikers/lezers nog beter kunt helpen. En of er misschien nog nieuwe doelgroepen te bereiken zijn. En nee, dat gaan we dan niet innovatief noemen, dat heet gewoon “invulling geven aan je taak” of “beleid uitvoeren”. Ik vraag me af hoeveel uur de gezamenlijke Nederlandse bibliotheken extra open zouden kunnen gaan als al die landelijke en provinciale subsidies niet in innovatie zouden worden gestopt maar gewoon rechtstreeks in dienstverlening.

En voordat iemand zich nu geroepen voelt om me te gaan uitleggen dat innovatie noodzakelijk is om te overleven en dat reguliere diensten ook vernieuwd moeten worden: dat weet ik heus wel. Maar daar hoef je echt niet zó veel tijd en geld in te steken. Of je moet natuurlijk je eigen dienstverlening zo slecht vinden dat het allemaal anders moet. Maar volgens mij heb je dan een heel ander probleem. En wat betreft de mantra dat je constant moet innoveren, dat je in beweging moet blijven omdat stilstand achteruitgang is: duh, natuurlijk moet dat. Maar daar heb je geen speciale innovators voor nodig, dat is onderdeel van je werk. Iedereen moet kritisch blijven kijken naar mogelijke verbeteringen binnen zijn eigen taak, als het goed is staat dat in je functieomschrijving. Dus hou eens op met die flauwekul.

Helaas is innovatie ook de achterliggende gedachte van het Museum of Failure, hun motto is Learning is the only way to turn failure into success. Want de bedoeling van het museum is dat bezoekers leren van de mislukkingen van anderen. Ze hebben een pop-up museum waarmee ze door Europa reizen en ze zijn van plan om activiteiten te gaan organiseren rondom mislukkingen: een menu vol mislukte gerechten in een chic restaurant of een bierproeverij van mislukte bieren. The crazier the better… Dat vind ik dan toch wel weer erg sympathiek. Overigens kwam West op het idee voor zijn museum toen hij in Los Angeles het Museum of Broken Relationships zag. Ben ik ook wel benieuwd naar.

Een bibliobus (zet het geluid even wat harder)

Dit filmpje bracht me in één klap weer 10 jaar terug, naar de tijd dat de bibliobus nog reed. (Voor de niet-bibliothecarissen onder de lezers en voor de mensen die mij nog niet zo goed kennen: jawel, er rijden nog steeds bibliobussen rond in Nederland. Maar ik had vroeger zelf bibliobussen, totdat ze werden opgeheven)

Want het filmpje geeft zo goed weer hoe zo’n dag op de bus er uit ziet. En ondanks dat het filmpje al 5 jaar oud is en dat de bus in Málaga rond rijdt en niet in Nederland is het allemaal heel herkenbaar. Die lange rit, die drukte, de gezelligheid en vooral al die blije mensen. Bij het stukje waarbij de bus aan het inparkeren is moet ik meteen aan Rina denken, waarvan ik de instructie kreeg: “een beetje duidelijke gebaren maken want je staat een eind weg. Sommige van die dames staan een beetje laf met hun handtas te wapperen, daar heb ik niks aan. Duidelijk zijn want anders gaat het mis.”

En ik weet zeker dat Arno de muziek bij het filmpje leuk vindt.

Het is nu bijna 10 jaar geleden dat “mijn” bussen werden opgeheven, maar ik vind het nog steeds jammer. Want ik vind nog steeds dat een bibliobus een prima voorziening kan zijn. Als je er voor zorgt dat de kwaliteit hoog genoeg is tenminste. En dat kan eigenlijk alleen als je het in een groot verband doet. Dan kun je je collectie heel efficiënt met zoveel mogelijk mensen delen. Maar goed: das war einmal. Al zou ik het een heel goed idee vinden als de bus weer terug zou komen.

Ik kwam nog een ander filmpje tegen, van een bibliobus uit Madrid. Ook leuk, met al die kinderen. En met een blik achter de schermen. Maar ik vind het filmpje hierboven toch echt leuker. En blijf vooral kijken tot het eind, na de aftiteling krijg je nog een toegift.

Hoe het vak uit de branche verdween

Het waren twee heel verschillende dingen die me aan het denken zetten. Of eigenlijk drie. Het begon met een opmerking naar aanleiding van een artikel dat ik had getwitterd over waarom president Trump een privé-bibliothecaris nodig heeft (een leuk artikel, lees het vooral). Naar aanleiding daarvan was ik opeens aan het uitleggen wat het verschil is tussen een classificatie- en een plaatsingssysteem. En terwijl ik twitterde dat meneer Goossens (docent Documentaire Informatiesystemen) trots op me zou zijn schoot me een opmerking van een collega-directeur te binnen die onlangs over een van de huidige bibliotheektrainingen zei dat het een waardeloze opleiding was want “daar leren ze titelbeschrijven”.

Toen realiseerde ik me waarom ik mij steeds zo opwind over het verdwijnen van de bibliothecaris uit de bibliotheek: omdat dit soort basiskennis van het vak uit de branche dreigt te verdwijnen als we niet oppassen. En ja dat is erg. Nee, zeker niet iedereen die in een openbare bibliotheek werkt hoeft te kunnen titelbeschrijven. En nee, ook niet iedereen hoeft te weten hoe je een catalogus opbouwt of hoe je de IFLA regels voor de ISBD toepast. Maar er moeten in elke organisatie een paar mensen zijn die dat wel weten. Die van de hoed en de rand weten. En niet omdat iemand ze snel even de grote lijnen heeft uitgelegd maar omdat ze echt weten waar ze het over hebben. Het hoeven geen specialisten te zijn, die zitten bij de NBD en de KB. Maar in je eigen organisatie heb je mensen nodig die met die specialisten kunnen praten en die ze kritisch kunnen volgen. Is dat een dagtaak? Nee zeker niet, althans niet in de gemiddelde openbare bibliotheek, maar het is wel een belangrijke taak. Dat geldt niet alleen voor titelbeschrijven maar ook voor andere basis bibliotheekprincipes. Wat is het verschil tussen een trefwoord en een hoofdwoord? En tussen een trefwoord en een classificatienummer? Waarom is Siso een classificatie- én plaatsingssysteem en Pim alleen een plaatsingssysteem? En waarom is het ene wel of niet beter dan het andere? Allemaal heel erg on-sexy vragen. En je stelt ze zeker niet elke dag en zelfs niet elk jaar; maar dat maakt ze niet minder belangrijk, want principieel. Omdat we het over dat soort principiële dingen nog maar zelden hebben in de openbare bibliotheekwereld (want hoera, NBDbiblion regelt dat voor ons) realiseren veel mensen in de branche zich niet welke systemen en structuren de grondslag vormen van het bibliotheekwerk. Dát er überhaupt meer systemen zijn dan je op het eerste gezicht ziet. Met als gevolg dat als er eens een discussie over gevoerd moet worden dat al snel wordt afgedaan als geneuzel “want waar hebben we het eigenlijk over?”. Inderdaad: jij weet niet waar deze discussie over gaat maar dat wil niet zeggen dat het niet belangrijk is.

Voor alle duidelijkheid: ik had een hekel aan het vak Documentaire informatiesystemen. Ik vond het ontzettend saai en ik zag er absoluut het nut niet van in. Net zoals ik ook niet begreep waarom meneer Van Nistelrooij zo enthousiast werd van het uitleggen van het UDC. Al was dat enthousiasme wel heel aandoenlijk. Maar ik was 18 toen en het personeelsbestand van openbare bibliotheken bestond voor meer dan de helft uit mensen met een bibliotheekopleiding. Tijdens werkoverleggen, of zelfs tijdens koffiepauzes, werd er soms eindeloos gediscussieerd over de catalogus, over trefwoorden en over wel of geen dubbelplaatsing. Bij dat soort discussies haakte ik meestal snel af. Dat mocht, want ik was de jeugdbibliothecaris dus ik had een andere taak. Maar ik snapte de discussie wel en ik kon (als het moest) ook meepraten want er was genoeg blijven hangen van wat ik op de bibliotheekacademie had geleerd. Als over 20 jaar de laatste mensen met pensioen gaan die nog een klassieke bibliotheekopleiding hebben gehad is er niemand meer over die dat nog kan. Althans: zolang er geen nieuwe opleiding terug komt.

Maar is dat eigenlijk niet ontzettend achterhaald allemaal? Als die nieuwe bibliotheekopleiding op hbo-niveau er ooit komt, moet al dat gedoe dan nog onderwezen worden? Die bibliotheken die bestaan nou toch gewoon? En het gaat toch goed? En er zijn toch veel belangrijkere zaken waar je je als bibliotheek mee moet bezig houden dan de catalogus en titelbeschrijvingen? Het sociaal domein, laaggeletterdheid en educatie bijvoorbeeld? Ja, dat zijn belangrijke onderwerpen waar we zeker veel energie in moeten stoppen, maar we moeten de basis niet vergeten. De bibliothecaris in het artikel dat ik hierboven noemde benadrukt het belang van een classificatiesysteem nog eens. In de Verenigde Staten is Information Resources onderdeel van het curriculum van de studie Library en Information Sciences en dat vak gaat onder andere over: standards for information organization and access, including cataloging rules and formats, content analysis, indexing, classification. Het is maar een van de vele vakken binnen de studie en ik wil zeker niet beweren dat in een nieuwe Nederlandse bibliotheekopleiding net zo veel uur besteed moet worden aan Classificeren, Sorteren en Documentaire Informatie als in onze tijd, want wij hadden die vakken een heel jaar lang, soms zelfs twee jaar. Maar dat er structurele aandacht voor moet zijn staat wat mij betreft buiten kijf. En dat we zuinig moeten zijn op de mensen in de branche die nog over dit soort basiskennis beschikken ook.

En voor wie het niet herkend had: het plaatje hierboven is de klassieke beginscene van Ghostbusters, in de New York Public Library.

De Boekenweek en leesbevordering voor iedereen

Afgelopen donderdag deed rapper Massih Hutak in zijn gesproken column in het radioprogramma De Nieuws BV een gepassioneerde oproep om het boekenweekgeschenk ook eens een keer te laten schrijven door iemand die de jongerencultuur kent. Een rapper bijvoorbeeld. Want dat is volgens hem de manier om jongeren enthousiast te maken voor literatuur. “Een gratis dun boekje van nog geen 100 pagina’s als opstap naar meer leesplezier. En hoe meer jongeren dat lezen, en daardoor meer lezen, des te  belangrijker en urgenter zo’n geschenk wordt”. (hoor ik hier Kees Broekhof?) Hij signaleert onder jongeren een grote behoefte aan verhalen die ze wel op social media en bijvoorbeeld Netflix vinden en veelvuldig delen maar (nog) niet in de literatuur.

Goed verhaal waar ik het alleen maar roerend mee eens kan zijn. En ik ben niet de enige: op Twitter werd zijn oproep driftig en met veel instemming gedeeld. En ook de CPNB heeft bovenstaande tweet al geretweet dus als Massih nog geen uitnodiging heeft gekregen om eens te komen praten volgt die zeker snel. Goed idee en zoek vooral de samenwerking op. Maar lieve CPNB, als jullie hier mee aan de slag gaan: willen jullie het dan alsjeblieft wel goed doen. Dus gewoon in 2019 het boekenweekgeschenk laten schrijven door iemand die jongeren aanspreekt? Zodat je dubbel aan leesbevordering doet: je trekt een nieuw (jong) publiek en je laat je bestaande publiek kennismaken met iets nieuws. Dus ga er niet in 2018 nog snel even een boekje voor jongeren naast produceren. Een speciale scholierenuitgave. Want daarmee neem je jongeren nog steeds niet serieus. En je andere lezers trouwens ook niet.

En ik snap wel dat zoiets lastig is want de uitgevers hebben bij zo’n jonge schrijver nog geen heel oeuvre achter de hand dat ze opnieuw kunnen uitgeven en de boekhandelaren zullen wel gaan klagen dat voor zo’n “onbekende” schrijver de mensen niet speciaal naar de boekwinkel komen en het hen dus omzet gaan kosten. Maar laten we eerlijk zijn: zolang de NS de Boekenweek blijft sponsoren komen de mensen toch wel zo’n boekje halen. En jullie zijn er toch ook voor ons, de bibliotheken? Jullie zijn toch zelfs ook van ons? En wij zijn toch van de leesbevordering? Dus zullen we afspreken dat in 2019 de bibliotheken nou eens hun zin krijgen en er gewoon een goeie leesbevorderingsactie komt. Met een boek dat óók jongeren leuk vinden en filmpjes en rappers in de bibliotheek en een leesclub waarin jongeren aan ouderen uitleggen waarom ze het zo’n goed boek vinden.

En dan mag Massih van mij directeur boekenweekgeschenk worden. Die heeft overigens wel vaker goede ideeën, hij was de bedenker van Het Stemfeest afgelopen maart, om jongeren aan te zetten om te gaan stemmen. Klonk als een mooi feest. Dus laten we van de volgende Boekenweek ook een feest voor iedereen maken, in plaats van een feest voor mensen die toch al van lezen houden.

Mocht het filmpje hierboven niet werken, bijvoorbeeld omdat je mobiel leest, dan is de column ook te beluisteren op de site van de NPO, hier dus.

Op het Boekenbal

De Boekenweek is weer begonnen. Traditioneel geopend met het Boekenbal en dat betekent dat ik gisteravond en vanochtend weer overspoeld werd met de bekende beelden: Herman Koch die hartelijk ontvangen wordt door onze grote vriend Eppo, dansende collega’s die trots foto’s twitteren of op Facebook zetten en schrijvers en BN-ers die poseren met een boa constrictor.

Ik ben ook ooit op het Boekenbal geweest. Twee keer zelfs. Klinkt interessanter dan het is want ik heb er gewerkt. Als student Kunstgeschiedenis was je interessant genoeg om daarvoor gevraagd te worden. De eerste keer was in 1990. Studiegenootje Imke ronselde leuke mensen die wat bij wilden verdienen. (dit was de tijd van de studiebeurzen, dus werken was voor veel studenten minder dringend dan nu). Het Boekenbal was niet meer zo chique als in dit filmpje hierboven maar het had zeker ook nog niet het losgeslagen, hippe imago dat het nu heeft. De belangrijkste reden voor de meeste mensen om ja te zeggen was de kans om achter de schermen van het Concertgebouw te kijken en ach, zo’n Boekenbal is vast geinig. Behalve Harry, die Nederlands gestudeerd had voordat hij bij Kunstgeschiedenis terecht kwam en ik (met mijn bibliotheekopleiding) vond iedereen het idee van een bal leuker dan die boeken.

En zo meldden wij ons op de avond van het bal bij de artiesteningang van het Concertgebouw. (Bam, eerste punt al binnen, want hoe vaak kom je daar nou?) Eenmaal binnen kregen we te horen dat het de bedoeling was dat we consumptiebonnen zouden gaan verkopen. Niet aan een vaste kassa, maar we moesten in tweetallen door het gebouw gaan lopen met onze bonnen. Ok, prima. Daarna bleek dat de studenten van de Rietveldacademie niet alleen gevraagd was om het gebouw te decoreren maar ook om iets te verzinnen om de bonnenverkopers zichtbaar te maken. Het thema dat jaar was Blauw, maar de studenten hadden het opgevat als ‘iets met ruimtevaart’ want we werden verkleed als een soort astronaut: we kregen zilverkleurige manteltjes om (gemaakt van isolatiemateriaal) en op ons hoofd kwam een blauw diadeempje met zilverkleurige balletjes die een centimeter of 20 boven ons hoofd wiebelden. Met een mandje vol consumptiebonnen en een portefeuille met wisselgeld trokken we in duo’s, een beetje ongemakkelijk, richting de ons toegewezen verdieping. En ongemakkelijk bleef het, de rest van de avond.

Ten eerste waren het geen losse consumptiebonnen maar een soort knipkaarten: velletjes met daarop 10 bonnen. En ik weet niet meer precies wat één zo’n vel kostte, maar het was in elk geval geen handig, rond bedrag. Iets als 12,75 (gulden). Een bedrag met cijfers achter de komma in elk geval. Waardoor je ontzettend zat te hannesen met wisselgeld. Wisselgeld dat in die schemerige gangen moeilijk terug te vinden was in die portemonnee. En dat halverwege de avond ook schaars begon te worden. Maar nog vervelender was dat een biertje twee bonnen kostte en een glas wijn drie bonnen. Zodat je met drie glazen wijn al door je kaart heen was en dan met één bon bleef zitten. Dat wisten wij niet toen we op pad werden gestuurd, maar naarmate de avond vorderde kregen we dat steeds vaker, steeds geïrriteerder, te horen. Niet echt een feestvreugde bevorderende combinatie, die consumptiebonnenkaart.

Was het een woest feest? Misschien, maar daar hebben wij niks van gemerkt. Er was geen dresscode, er liepen geen mensen met slangen rond en ik herinner me ook geen artistiekerige acts in de gangen. Waren er dan veel schrijvers? Niet zoveel als ik verwacht had. Al zal ik ze lang niet allemaal herkend hebben. De enige twee die ik me herinner zijn Bart Chabot en Kees van Kooten. Bart Chabot omdat hij bij elke bonnenkaart die hij kocht moeilijker ging doen over het feit dat we zo weinig wisselgeld hadden en Kees van Kooten vanwege het tegendeel. Die gaf ons bij elk stapeltje bonnen dat hij kocht een leuke fooi en hij zei er steeds bij “Wel apart houden he, die fooi! Niet dat jullie dat geld straks toch gewoon inleveren.” Toen we hem bij ons zoveelste rondje door de gangen weer zagen lopen riep hij dwars over de gang: “Kijk, daar hebben we mijn favoriete bonnenmeisjes! De fooi wel apart houden hoor!” Verder herinner ik me vooral veel geschutter, van zowel gasten als van ons. En ik herinner me Ellen Brusse, omdat wij ons afvroegen waarom een tv-omroepster van de Tros daar met zoveel air rondliep. Er waren geen andere televisiemensen en ook geen acteurs of filmsterren. Ik herinner me vooral veel opgewonden mensen in kantoorpakken. Het was geen hele bijzondere editie, dat Boekenbal. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ik er nu maar zo weinig over kan terugvinden, geen foto’s en maar één artikeltje in Delpher, uit het Nieuwsblad van het Noorden.

Het jaar daarop heb ik twee uur lang op het grote podium van de Stadsschouwburg gestaan. Daar moest ik mensen overtuigen om plaats te nemen op de achterbank van een grote Amerikaanse slee waar op de voorbank twee acteurs scene’s uit Who’s afraid of Virginia Woolf speelden. Dat was eigenlijk veel interessanter. Maar die avond  heb ik geen enkele bekende schrijver gezien.

Cijfers vertellen geen verhaal

 

Aan de hand van de cijfers over bibliotheken die het Ministerie van OCW onlangs heeft gepubliceerd heeft Mark Deckers de afgelopen weken op zijn blog een aantal lijstjes gepubliceerd. Hij heeft cijfers met elkaar vergeleken en aan de hand daarvan heeft hij overzichtjes gemaakt van o.a. welke bibliotheek in Nederland de meeste materialen heeft uitgeleend, welke de meeste activiteiten heeft georganiseerd en wie de meeste bezoekers heeft gehad. In het eerste deel uit de serie roept hij bibliotheken op om zich in de cijfers te verdiepen want voordat je het weet wordt je met die cijfers door iemand om de oren geslagen. Naar aanleiding van zijn laatste exercitie werd ik door verschillende mensen gefeliciteerd, want in het lijstje van bibliotheken met de jongste medewerkers stonden Bibliotheek Bibliorura op de eerste plaats. Het is altijd leuk om ergens nummer 1 te zijn en als “petemoei van het Jonge Bibliothecarissen Netwerk” vind ik het natuurlijk extra leuk om nou net in dit lijstje bovenaan te staan. Maar het slaat natuurlijk nergens op.

Sorry Mark.

Die cijfers zullen ongetwijfeld kloppen. En die vergelijking ook. Maar zijn wij de bibliotheek met de jongste bibliothecarissen? Want dat zegt de kop boven het stuk. Het antwoord is: nee dat klopt niet.  In het overzichtje waar wij op nummer 1 staan is het al beter verwoord: wij hebben het jongste personeel. Althans: wij hebben het hoogste percentage medewerkers onder de 30 jaar. Maar wat zegt dat? Dat wij hipper zijn? Of moderner of beter de vinger aan de pols houden bij de jeugd? Zo’n cijfer zegt helemaal niks. Het zijn appels en peren die je in zo’n lijstje met elkaar vergelijkt. Ik ben niet de eerste die dat zegt, bij verschillende van Mark’s stukjes staan al reacties met die strekking. Maar daar wordt ook weer aandacht gevraagd voor het project Effectmeting van de VOB. En daar word ik dan weer een beetje zenuwachtig van.

Er is niks mis met meten en ook niet met het meten van effecten. Maar ik wil juist zo graag weg van die focus op getallen, van dat afrekenen aan de hand van cijfers. Ik wil praten met gemeentes: wat willen jullie? Waar worden jullie blij van? Waar heeft deze gemeente behoefte aan, wat gaat hier werken? Daar gaat het mij om. Dat is voor mij het allerbelangrijkste. En dat staat helemaal los van wat er bij de KB of bij de VOB bedacht wordt aan acties en campagnes. Met die insteek hebben wij een aanbesteding gewonnen. Niet met cijfers. De enige cijfers die in ons aanbestedingsstuk stonden waren financiële cijfers. Het had geen SMART geformuleerde doelen maar een goed verhaal. We schetsten een duidelijk beeld van de toekomst dat aansloot bij wat er leefde in de verschillende kernen van de gemeente. Dáár wonnen we mee.

Cijfers zeggen helemaal niks. Als je kijkt naar het overzicht van actieve bibliotheken zie je dat er  gemiddeld 496 activiteiten per jaar worden georganiseerd. Om wat voor soort activiteiten gaat het dan en hoe tellen ze dat? Wij hebben maar één vestiging, zelfs als ik elke dag van het jaar een activiteit in de bibliotheek zou organiseren haal ik het landelijk gemiddelde niet, en wij zijn 360 dagen per jaar open. Of mag ik de boekenkringen die onze leesconsulenten op scholen organiseren ook  meetellen? Dan schiet ik al een heel eind richting de top 10. Ben ik dan niet actief? Omdat ik het landelijk gemiddelde niet haal? Of ben ik juist heel actief omdat ik met mijn leesconsulenten op bijna alle basisscholen in het werkgebied zit?

Ik snap heel goed dat Mark ons met zijn blogs wil voorbereiden op het volgende commerciële bedrijf dat met die cijfers aan de slag gaat. Dat met wat makkelijke staatjes ons of onze gemeentes gaat benaderen om te roepen dat het allemaal efficiënter/beter/goedkoper/makkelijker kan als we het lot van de bibliotheek maar in hun handen leggen. Maar ik ga er van uit dat we dat stadium inmiddels voorbij zijn en dat niemand daar meer in trapt. De meeste gemeentes hebben dat soort brieven de afgelopen jaren opzij gelegd, al dan niet na een telefoontje met hun bibliotheekdirecteur. Soms grinnikend, soms zuchtend en soms leidde dat tot indringende gesprekken en/of discussies. En ja, een paar gemeentes zijn wel in het verkooppraatje getrapt dat ze hetzelfde kunnen krijgen als ze al hadden voor minder geld. In een enkele gemeente heeft het zelfs grote politieke consequenties gehad voor de wethouder in kwestie. Maar in het algemeen leidde deze benadering tot niets. Want de waarde van de bibliotheek is heel lastig uit te drukken in cijfers.

Dat wil uiteraard niet zeggen dat je geen cijfers nodig hebt: tuurlijk, prima dat ze er zijn. Handig hulpmiddeltje. Nogmaals: ik zeg niet dat we niet moeten meten en rekenen, maar laten we daar alsjeblieft niet al te veel energie in stoppen. Want het gaat niet om cijfers, het gaat om het verhaal dat je vertelt. Ik ben zo bang dat we zo meteen de ene set cijfers door de andere gaan vervangen. Dat we ons in plaats van op uitleencijfers gaan laten afrekenen op het aantal activiteiten dat we organiseren. Het straalt iets wanhopigs uit: “we doen er echt wel toe hoor. Kijk maar: we hebben cijfers.” Maar we hebben een verhaal en dat is veel beter dan cijfers.

Om nog even terug te komen op onze eigen nummer 1 notering: bij ons is meer dan 37% van het aantal medewerkers onder de 30 jaar. Dat hoge percentage komt deels omdat onze opruimhulpen bij ons in dienst zijn en die zijn allemaal jonger dan 23 jaar. Zoiets suggereerde Mark al. Maar zoveel opruimers hebben we niet dus dat is niet de belangrijkste oorzaak. Wij hebben de afgelopen jaren vol ingezet op de Bibliotheek op School en onze leesconsulenten zijn op één na allemaal jonger dan 30 jaar. En bij zo’n relatief kleine organisatie als de onze is zo’n percentage dan al snel hoog. Bij ons is 42% van de medewerkers ouder dan 50 jaar, landelijk is dat gemiddeld 64%. Dus ja, wij hebben een relatief jong personeelsbestand. Voor wat dat waard is.

New York Leest

Binnenkort starten ze in New York met de actie One Book One New York, de New Yorkse versie van One City One Book, de leesbevorderingsactie waar Nederland Leest op is gebaseerd. In 1998 begonnen als leesbevorderingsprogramma van de bibliotheek van Seattle en inmiddels heeft iedere zichzelf respecterende stad in de Verenigde Staten wel een dergelijk project. Dit jaar voor het eerst in New York dus.

Hier ligt het initiatief niet bij de bibliotheek maar bij de gemeente. Althans, via de website van The Mayor’s Office wordt er reclame voor gemaakt en de projectleider is afkomstig van de gemeente. Ze pakken het net weer iets anders aan dan elders: de bevolking heeft inspraak bij de keuze van het boek. Ze hebben vijf boeken geselecteerd en vijf celebrities gevraagd om ieder een boek te pitchen. Met een filmpje zoals hier boven. Morgen is de laatste dag waarop nog gestemd kan worden. Dat stemmen kan via de website van de gemeente en via speciale kiosken in de metro.

De geselecteerde titels zijn heel verschillend: deze hierboven is uit 1943 en was tijdens de Tweede Wereldoorlog heel populair. De andere vier titels zijn veel actueler (variërend van 2007 tot 2015) en hebben allemaal een Booker Prize gewonnen. Niet alle schrijvers zijn Amerikaans en zware thema’s worden niet geschuwd. De gemeente heeft een panel van bibliothecarissen, uitgevers en wetenschappers om tips gevraagd en daarna zelf deze lijst samengesteld. Voor de gemeente is het “an attempt to give small bookstores throughout the city a boost and, as the program’s title suggests, create a sense of community among the city’s readers.” En voor de mensen die het boek niet willen kopen: de uitgevers hebben 4000 exemplaren van de boeken op deze lijst cadeau gedaan aan de bibliotheken in New York (meer dan 200 filialen). De uitverkozen auteur zal in juni optreden in de New York Public Library. Ben benieuwd hoe het verder gaat. Van publiciteit zijn ze alvast verzekerd: de website Buzzfeed heeft zich aan de actie verbonden maar ook de Late Show en een aantal kranten. Dus ik vermoed dat we er nog veel over gaan horen.

“waardoor de wereld een stuk mooier wordt”

Ze zijn er al twee jaar mee bezig, maar ik las er pas een paar weken geleden over: OmaPost. Een app waarmee je mensen die niet actief zijn op Social Media (je oma of je opa dus) af en toe een papieren foto kunt sturen vanuit je Social Media accounts. Zodat die ook een beetje weten waar je mee bezig bent en waardoor je kunt laten weten dat je aan ze denkt. Formeel is het doel om: eenzaamheid onder ouderen tegen te gaan en jong en oud weer met elkaar in contact te brengen. 

Initiatiefnemer Wilbert van de Kamp legt in dit filmpje mooi uit hoe het zo gekomen is en wat de bedoeling van OmaPost is. Ik vind het geweldig. Toen ik het filmpje voor het eerst zag werd ik er een beetje wantrouwend van, want het leek allemaal een beetje te mooi om waar te zijn. Zo’n simpel idee, waarom heeft niemand dat eerder bedacht? Die jongen is zo sympathiek, wat zit daar achter? En wat doet dat T-mobile logo daar? De clou is straks zeker weer dat het reclame voor T-mobile is? Maar het is echt zo simpel als het lijkt: jongen heeft een goed idee, rommelt wat aan en besluit dan op zoek te gaan naar sponsors. En T-mobile is gewoon een van die sponsors. Het is dus wel reclame (want ik heb die naam nu al drie keer opgeschreven) maar dan gewoon, zonder trucje. Hij heeft een paar maanden geleden ook nog een Award gewonnen voor deze app, voor meer informatie check dit filmpje.

Zoals gezegd: ik vind het een geweldig idee, deze combinatie van digitale en fysieke media. Het mooist vind ik nog dat Van de Kamp zegt dat zijn ideaal is dat de app zichzelf overbodig maakt. En ook zo aardig: toen bekend werd dat Eberhard van der Laan ziek was konden mensen via OmaPost gratis een kaartje naar Van der Laan sturen. Een bevlogen type dus, die Wilbert van de Kamp. Fijn dat iemand hardop zegt dat hij de wereld mooier wil maken. Word ik blij van. Daarom breng ik hier nog maar even onder de aandacht dat je op hem kunt stemmen bij VPRO’s Tegenlicht, zodat hij de kans krijgt om zijn verhaal voor een groter publiek te vertellen. Doe maar even. Want ik ben natuurlijk totáál niet de doelgroep van deze app, maar ik steun een goed idee graag als ik het tegen kom.

De kaartcatalogus (met van die kaartenbakken)

Leuk! Een filmpje uit de oude doos dat ik tegenkwam op Mental Floss. Het is een bibliotheekinstructie voor middelbare scholieren. Hoe vind je zo snel mogelijk het boek dat je zoekt? Door in de catalogus te kijken was het antwoord in 1951. En eigenlijk is dat nog steeds het antwoord, alleen hebben we tegenwoordig geen kaartcatalogi meer maar is alles nu geautomatiseerd. Hartstikke handig: je hoeft dus niet meer in verschillende bakken te kijken, of zoals in dit filmpje, je hoeft ook niet meer op te letten of iets met hoofdletters of met kleine letters is geschreven. Je hoeft zelfs niet meer heel handig met het alfabet te zijn.

Het blijft een leuk filmpje en er wordt redelijk duidelijk uitgelegd hoe het Dewey-systeem werkt. Voor degenen onder ons die dat niet (meer) geleerd hebben op de bibliotheekacademie: het Dewey Decimal Classification system is een classificatiesysteem dat in 1873 werd uitgevonden door de Amerikaan Melvil Dewey waarmee je informatie kunt indelen. Het wordt nog steeds wereldwijd gebruikt in bibliotheken, het Nederlandse Siso is er op gebaseerd.

Dit filmpje is 66 jaar oud maar het lijkt me voor die tijd eigenlijk heel modern. Al vind ik het zelf nogal irritant dat die bibliothecaresse zo neerbuigend doet. Hup, maak eens een bibliotheekles in plaats van zo tuttig over dat meisje te praten. En trouwens: laat die kaartenbakken eens zitten! Zo geef je niet bepaald het goede voorbeeld. Ik ga er van uit dat de kaartjes vastzitten in de bakken dus als een scholier zo’n bak laat vallen hoef je niet alle kaartjes opnieuw te alfabetiseren, maar toch.

Ja jongelui, jullie merken: ik spreek uit ervaring. Maar buiten dat: leuk filmpje. Geniet er van.

get_footer() ?>