Tenaanval

Tenaanval

Over bibliothecarissen, bibliotheken, leesbevordering en soms over kunst

Neil Gaiman over kunst, of Waarom kunst belangrijk is # 4

Ok, dit is reclame. Niet alleen dat filmpje hierboven, maar dit hele stuk. Want ik wil jullie allemaal het boek Art Matters van Neil Gaiman en Chris Riddell aanbevelen. Sinds ik het boekje twee weken geleden kocht kan ik het niet laten om het elke dag even op te pakken want ik word er zo blij van. Niet alleen omdat het zo’n mooi boekje is, of omdat het, zoals Riddell in het voorwoord schrijft, een “small elegantly bound book” is maar ook omdat ik zo blij wordt van wat er in staat. En ik denk dat in deze tijd van onrust en onderbuikgevoelens en ongenuanceerdheid wel behoefte is aan mooi en blij en schoonheid.

Het is een verzameling van bestaande teksten van schrijver Neil Gaiman waar illustrator en UK Children’s Laureate Chris Riddell tekeningen bij heeft gemaakt. Op eigen initiatief. Voor de lol, omdat hij zo onder de indruk was van de teksten. Omdat die tekeningen zo veel aandacht op social media kregen besloot de uitgever om er een boekje van te maken. Het zijn vier teksten: drie verhaaltjes en één gedicht. Gaiman noemt die verhaaltjes essays, maar bij dat woord hebben we in Nederland toch andere associaties. Het zijn korte, inspirerende teksten over lezen, bibliotheken en het belang van kunst. De laatste tekst (Make good art) is een toespraak die Gaiman hield voor de afstudeerders van een Art Class van een universiteit in Philadelphia in 2012. Hier een video van die toespraak. Als je Gaiman nog niet kent is die leuk om een idee te krijgen van wat voor man het is. De video hieronder is de opname van een Facebook livestream die hij vorige week hield, ter gelegenheid van de presentatie van het boek. Omdat het een livestream is (en dus geen zorgvuldig samengesteld filmpje) waaiert het nogal uit en gaat het alle kanten op en je merkt aan alles dat hij moe is. De hele video duurt nogal lang maar in de eerste vijf minuten legt hij uit hoe het boekje zo tot stand gekomen is. Voor als je meer wil weten.

De tweede tekst in dit boekje is zijn beroemde Why our Future depends on libraries, reading and daydreaming, dat hij schreef voor de Reading Agency (de Britse Stichting Lezen). De door Riddell geïllustreerde versie van deze tekst verscheen deze zomer in The Guardian en deed toen al de rondte op social media. Het bevat pareltjes als A library is a place of safety, a haven from the world. It’s a place with librarians in it.

De eerste tekst is een credo die begint met: I believe that it is difficult to kill an idea because ideas are invisible and contagious, and they move fast. Lijkt me niks tegen in te brengen. Maar goed, ik word dus heel erg blij van zoveel vastberadenheid en zo’n diep geloof in het belang van lezen en van kunst. Want het boek heet niet voor niks Art matters, because imagination can change the world. En daar hou ik me maar aan vast.

 

Lezen op het strand, Franse strandbibliotheken

Vorige week was ik Normandië, op vakantie. In ons hotel vond ik een folder van Lire à la plage, de Franse versie van de strandbibliotheek.  (Voor wie zich afvraagt wat ik met strandbibliotheken heb is hier een linkje naar hoe dat ooit begon) In Nederland zijn de meeste strandbibliotheken weer verdwenen, alleen Makkum houdt dapper stand, dus ik was aangenaam verrast dat ze in Frankrijk nog steeds bestaan. Al sinds 2006 zijn ze daar bezig. Ik heb er veel foto’s van gezien maar weinig over gehoord dus ik wilde er nu graag eens een in het echt zien.

Zelfs als ik niet gewaarschuwd was door die folder had ik de bibliotheek op de boulevard van Étretat waarschijnlijk snel gevonden, want het stond op een tamelijk prominente plek. Zoals dat hoort. En het was zeer herkenbaar, niet alleen omdat er met grote letters Lire à la plage op stond maar ook vanwege de herkenbare kleuren. In tegenstelling tot “onze” strandbibliotheken hebben ze er in Frankrijk voor gekozen om alle bibliotheken er precies hetzelfde uit te laten zien. En als ik het filmpje zo bekijk geldt dat niet alleen voor de buitenkant (allemaal precies dezelfde huisjes, met allemaal rechts van de ingang een leesterras met precies dezelfde strandstoelen) maar ook voor de binnenkant. Want die in Étretat zag er van binnen precies zo uit als die hierboven. Die eenheid komt waarschijnlijk (ook) omdat het één groot project is, van het departement Seine-Maritime dus ik ga er van uit dat alles gewoon centraal geregeld wordt. Wat me opviel is dat ze zichzelf geen bibliotheek noemen. De collectie bestaat ook niet uit bibliotheekboeken maar uit niet-ingewerkte winkelexemplaren en er is niets dat lijkt op een uitleensysteem. Het meisje dat de “bibliotheek” beheerde reageerde dan ook heel verbaasd op mijn vraag of ze met de plaatselijke bibliotheek samenwerkten. “Nee, we zijn van het departement. We hebben niets met de bibliotheek te maken.” Een paar klikken op het internet leert dat er in het verleden wel degelijk werd samengewerkt met gemeentelijke bibliotheken, maar dat was ongetwijfeld vóór de tijd van deze (neem ik aan) werk-studente. Die vertelde dat ze elke dag open zijn, van 14 tot 19 uur. Ook als het slecht weer is.

Er worden mondjesmaat activiteiten georganiseerd, voornamelijk gericht op lezen en taal. Het leek allemaal tamelijk simpel: een leuk huisje met (1000) boeken en een gezellig terras. Zet de deur maar open en ga je gang. Niks ingewikkelds of hoogdravends, gewoon: lezen. Op het strand. Want daar gaat het om, bij Lire à la plage.

PS. Ook als je Frans niet al te best is: kijk het filmpje toch maar. Is leuk. En de plaatjes zeggen genoeg.

De stilte rondom de bouwput van de Noord/Zuidlijn in de Ferdinand Bolstraat

Gisteren is officieel de Noord/Zuidlijn geopend. Dat kan niemand ontgaan zijn. In de aanloop naar die opening is er veel geschreven en in de media gepraat over dat het zo fijn is dat hij nou eindelijk open is, dat het wel lang geduurd heeft en dat het ook wel veel duurder is geworden dan oorspronkelijk gedacht, maar alla: nu hebben we ook wat.

En dat hoort ook zo bij een feestje. Maar in het kader van het historisch perspectief en om het vast te leggen voor het nageslacht wil ik hier toch graag wat van mijn ervaringen opschrijven met de aanleg van de Noord/Zuidlijn. Ik zal jullie de klachten over overlast besparen want iedereen kan zich wel iets voorstellen van het soort last dat je hebt als je aan de bouwput van een metrostation in aanleg woont. Letterlijk áán de bouwput, want ik woonde in de Ferdinand Bolstraat en alleen een stoep van zo’n 2,5 meter scheidde mijn voordeur van de bouwput, de graafmachines, de bouwketen en de vrachtwagens met beton.

Waar het mij om gaat is hoe de stad en de bouwers omgingen met de bewoners. Die werden, zeker in de beginfase van de aanleg, vooral gezien als lastig. Het projectbureau Noord/Zuidlijn verspreidde nieuwsbrieven huis-aan-huis en in de beginperiode organiseerde de gemeente voorlichtingsavonden en dat was het wel zo’n beetje. Op zo’n voorlichtingsbijeenkomst werd vooral uitgelegd hoe technisch knap het was wat ze gingen doen met die tunnelboor en wat voor regelingen er waren voor eigenaren om de funderingen van de panden aan de bouwput te laten versterken. Heel pragmatisch en formeel. Dat er op zo’n avond ook winkeliers waren die emotioneel uitriepen dat hun handel kapot zou gaan aan die werkzaamheden werd vooral lastig gevonden en bewoners roerden zich daar nauwelijks. Ik ook niet, want ik zat daar uit nieuwsgierigheid en ik kon me geen voorstelling maken van wat het precies allemaal zou gaan inhouden.

Cynisch was ik wel, daar hadden de ervaringen met de communicatie rondom die metro alle reden toe gegeven. Eerst al met dat referendum, waarbij alles uit de kast werd getrokken om de Amsterdammers vooral vóór te laten stemmen. Toen ze eenmaal begonnen met de aanleg van het metrostation in de straat bleek het, in tegenstelling tot wat steeds gezegd werd, allesbehalve mee te vallen met de overlast en dat was voor een paar bewoners in de straat aanleiding om zich te gaan organiseren. Dat de metro onder de Ferdinand Bolstraat kwam was te danken aan het feit dat de buurt niet georganiseerd was, want oorspronkelijk zou de lijn door de Concertgebouwbuurt gaan, maar onder aanvoering van de vrouw van de wethouder en een paar topjuristen uit de straat werden die plannen snel gewijzigd. Toen zou de lijn onder de Boerenwetering komen (zoals in het filmpje hierboven wordt gezegd) maar ook in die buurt woonden een paar juristen met invloed (aan de andere kant van het water dan, uiteraard niet aan de Albert Cuypkant). In de Pijp was er nauwelijks sprake van tegengeluiden dus daar kon de gemeente zijn gang gaan.

In 2004 werd er begonnen met de bouw. De trams werden omgeleid, de straat werd afgesloten, er kwamen hekken en toen bouwketen en opeens stonden er grote machines onder mijn raam te bulderen. En bleken ze te werken van 7 uur ’s ochtends tot 10 uur ’s avonds. Toen het gemeentelijk onderzoeksbureau ook nog eens een rapport publiceerde waarin stond dat het allemaal reuze meeviel met de overlast was de boot aan. Via de buurvrouw die bij de bakker iemand had gesproken kwam ik in contact met andere mensen in de straat die het zat waren en voordat we het wisten stonden we opeens bij een vergadering van de stadsdeelraad. En kregen we in de gaten dat er in de politiek hele andere spelregels golden dan in het dagelijks leven. Die leerden we met vallen en opstaan.

Die eerste periode moesten we vooral hard werken om serieus genomen te worden. Want tot mijn grote verbijstering bleek dat er op geen enkel niveau was nagedacht over de mensen die in de straat woonden. Voor bewoners was een communicatieprotocol opgesteld en daar bleef het wel zo’n beetje bij. Toen we lawaai gingen maken werd er gewoon nog meer gecommuniceerd en waren ze verbaasd dat we daarna nog steeds bleven zeuren. Pas toen wethouder Van der Horst een keer zelf kwam kijken kwam er beweging in. Die man stond in de standaard VVD-modus en had tot dan toe erg weinig belangstelling voor bewoners getoond, maar tijdens een rondleiding door de straat keek hij verbaasd naar de bouwhekken en naar de klodders modders die tegens de gevels spatten als zo’n graafmachine zijn lading dumpte in een klaarstaande vrachtwagen. “Als ik thuis nieuwe keukenkastjes ophang dan scherm ik de boel beter af dan hier met deze schutting. Ik begrijp niet wat het probleem is bij zo’n groot bouwproject.” Binnen een week werden de schuttingen aangepast.

Op die manier moesten we als bewonersvereniging die eerste jaren ieder dingetje opnieuw bevechten. In plaats van tot 10 uur ’s avonds werd er nog maar doorgewerkt tot 7 uur ’s avonds. Behalve in noodgevallen. En wij konden in de gaten houden of het echt een noodgeval was, dat was dan wel weer een voordeel van in die bouwput kunnen kijken. “Nee, hier moest niet nog dringend iets afgemaakt worden: die vrachtwagen reed gisteravond om 10 over 7 nog het bouwterrein op en toen hebben ze gewoon tot na 9 uur doorgewerkt.” “Lullig dat er geen metingen zijn gedaan naar het geluid van de vorige dieselgeneratoren, maar deze nieuwe generatoren maken echt heel veel meer lawaai dan die andere.”

Het stadsdeel Oud-Zuid was de eerste die doorkreeg dat er met ons best te praten viel, dat wij geen hardcore-actiegroep waren die de boel wilde saboteren maar gewoon bewoners die het vervelend vonden dat hun woongenot werd aangetast. Het stadsdeel had geen enkele invloed op de bouwactiviteiten omdat de stad de Noord/Zuidlijn tot grootstedelijk project had verklaard dat boven de stadsdelen uitsteeg. Dus het enige dat ze konden doen was tandenknarsend toekijken hoe een belangrijke wijk binnen het stadsdeel op de schop ging. Door op te komen voor de belangen van de bewoners en ons te stimuleren om een bewonersvereniging op te richten hadden ze toch nog ergens invloed.

Ook het projectbureau kreeg door dat wij helemaal niet zo onredelijk waren. Nadat de Projectdirecteur een keer aan mijn keukentafel had gezeten om te vergaderen met de Bewonersvereniging werd het allemaal steeds pragmatischer. Al vonden sommige mensen dat wel lastig: praten met burgers. Zoals die bouwmanager, die toen wij vroegen wat grouten nou precies was verbaasd zei: “ja, dat kan ik wel gaan uitleggen, maar dat snappen jullie toch niet.” Die man werd gek van ons want in zijn optiek belemmerden wij hem in zijn werk. Het was een opluchting voor iedereen toen de aannemer daar een andere manager benoemde. De boel liep meteen een stuk soepeler.

En dat is mijn punt: voordat de bouw begon werd het traject in de Ferdinand Bolstraat gezien als het deel met het meeste risico. En daar is nou net alles goed gegaan. Dat het op andere plekken mis ging is natuurlijk vooral een kwestie van domme pech maar ik ben er van overtuigd dat ook heeft meegespeeld dat de bouwers in de Ferdinand Bolstraat letterlijk op hun vingers werden gekeken. Door de bewoners en ook door het stadsdeel. Daardoor werd het projectbureau gedwongen om overal boven op te zitten, om te voorkomen dat wij weer zouden gaan zeuren of om een antwoord klaar te hebben als er toch iets was. En ze konden oefenen met “bewonersvriendelijk” zijn, zodat ze de nieuwe bouwputten die er kwamen door de aannemers konden laten inrichten met geluidsarme generatoren en de schema’s voor de betonwagens al klaar lagen voordat de bouw van start ging.

Maar goed. Ik heb er veel geleerd, die paar jaar aan de bouwput. Niet alleen over jetgrouten, diepwanden en ‘decibellen aan de gevel’,  maar ook over hoe je moet inspreken bij de gemeenteraad, over hoe een ambtelijke organisatie werkt en over dat journalisten geen belangstelling hebben voor redelijke bewoners maar liever een relletje verslaan. In 2008 werd het pand waarin ik woonde verkocht aan een projectontwikkelaar en moest ik mijn huis uit. De ergste bouwoverlast in de Ferdinand Bol was toen voorbij, de bouwput was dicht en er werd onder de grond verder gebouwd aan het station. Ik ben heel benieuwd naar het eindresultaat dus ik ga binnenkort maar eens een ritje maken.

Overigens: in dit filmpje hierboven doet Pieter-Jan Hagens dik 55 minuten over de tocht van Noord naar Zuid. Dat komt omdat hij niet de kortste weg neemt maar nodeloos allerlei overstaps maakt. Als hij op het Centraal Station meteen in de sneltram naar de Rai was gestapt was hij daar in 11 minuten geweest. Maar ja, dat had zijn boodschap een stuk minder krachtig gemaakt. Kijk, daar werden bewoners nou cynisch van, van dat soort filmpjes.

Robin Williams voor de bibliotheek van San Francisco

Robin Williams maakte in 1996 reclame voor de Family Day in de San Francisco Public Library. De nieuwe bibliotheek van San Francisco werd officieel geopend op 18 april 1996 en een paar dagen later was deze Family Day, waar Williams optrad als gastheer. Hij nam 9 promotiefilmpjes op. Als je het kan opbrengen om ze alle negen achter elkaar te bekijken zal je zien dat hij in een paar filmpjes hetzelfde verhaal vertelt, in een iets ander tempo. Geen idee of ze allemaal uitgezonden zijn.

Ik hou van Robin Williams, maar van al die filmpjes achter elkaar kijken word ik wel een beetje hyper. En een beetje droevig ook wel, gezien zijn verdrietige einde. Aan de andere kant vind ik het wel geweldig dat hij dat gedaan heeft: gastheer zijn en promotiefilmpjes opnemen. Zijn enthousiasme lijkt me ook oprecht. “Pump some neurons” Die moeten we er maar in houden.

Terugkeer van de melkboer

Sinds afgelopen vrijdag is de melkboer weer terug in Amsterdam. Geen gewone melkboer maar een bevlogen ondernemer/actievoerder die “het contact tussen het platteland en de stad wil herstellen” door eigenhandig melk van boeren uit de omgeving naar Amsterdam te brengen. In bovenstaand filmpje is te zien hoe hij zijn producten aflevert bij restaurants en ondernemers en nu verkoopt hij dus ook aan de gewone Amsterdammers. In dit nieuwsbericht van AT5 zie je hem gratis melk uitdelen in de Amsterdamse Pijp vanuit zijn schattige autootje. Zijn bedrijf heet MOMA (More than Milk Amsterdam) en dat staat voor “meer dan melk. Melk is voor ons Liquid Landscape; een vloeibaar stukje landschap”. Op zijn website is meer achtergrondinformatie te vinden en daar staat ook een kaartje van de stad met daarop de locaties en de routes die hij met dat autootje rijdt, inclusief een tijdschema.

Leuk!

Wie dit blog al langer volgt of wie mij een beetje kent voelt hem al aankomen:

Als de melkboer weer terug komt is de tijd rijp om ook de bibliobus weer te laten terugkomen. Nee, de bibliobus is nooit helemaal verdwenen uit Nederland. In Zeeland rijden de Onderwijsbus en de Servicebus op volle toeren en in o.a. Arnhem en Emmen rijdt de bus ook nog steeds tot ieders tevredenheid. Maar in de afgelopen 10 jaar is het aantal bibliobussen drastisch afgenomen vanwege “veel te duur”. Ik wil de discussie over dat argument hier nu niet overdoen, want dat is relatief, het is maar net waar je die kosten mee vergelijkt. Een belangrijke reden voor het opheffen van de bussen was ook een gevoel: die bibliobus is ouderwets, dat is iets van vroeger en tien jaar geleden waren bibliotheken vooral bezig met aantonen dat ze niet van vroeger waren maar juist heel erg van nu. Dus veel bestuurders wilden niet met zo’n stereotypebevestigend iets geassocieerd worden.

Inmiddels begint het tij langzaam te keren. De Zeeuwen gingen voorop bij het innoveren van de bibliobus maar een belangrijke stap is toch zeker gemaakt door de mannen van het Frysklab. Dit mobiele bibliotheeklab is innovatief en hip en wordt internationaal geroemd, juist vanwege het mobiele element. Vanwege het busgedeelte zeg maar. Het Friese makerlab krijgt her en der in het land navolging en ook iets ludieks als Blikkie het voorleesbusje uit Helmond is een groot succes. Terecht. Want het is superhandig dat je je activiteit (welke dan ook) heel eenvoudig op verschillende locaties kunt uitvoeren. Het enige dat je nodig hebt is een parkeerplaats die groot genoeg is. Een bibliobus is super laagdrempelig en je kunt letterlijk de mensen opzoeken. En nee, ik zeg niet dat je die oude bussen terug moet halen maar als het gaat over spreiding en het bereiken van doelgroepen dan is een bus daarvoor het aangewezen middel. Nu alleen nog hip worden.

Bibliothecarissen houden van mensen

De dag na mijn 17e verjaardag reisde ik samen met twee meisjes die ook bij mij op school zaten naar Tilburg voor een toelatingsgesprek op de Bibliotheekacademie. Ja jongens en meisjes, in die tijd kregen ze daar zoveel aanmeldingen dat ze een selectie konden maken.

Aan ons groepje van drie werden nog twee mensen toegevoegd en met zijn vijven kwamen we voor een selectiecommissie te zitten. Ik weet niet meer precies uit hoeveel mensen die commissie bestond maar daarin zat in ieder geval meneer Van Agt, de adjunct-directeur van de school. Die keek ons vriendelijk aan, legde uit wat de bedoeling was vroeg toen plompverloren aan Marloes: “Zo, en vertel eens: waarom wil jij in een bibliotheek gaan werken?” Omdat ze zo van boeken hield, zei Marloes, en omdat ze gek was op lezen. “Dan moet je in een boekhandel gaan werken” zei Van Agt. “Daar zit je de hele dag tussen de boeken” en daarna stelde hij dezelfde vraag aan Coen. “Ik wil in een bibliotheek werken omdat ik graag mensen wil helpen en vragen wil beantwoorden” antwoorde die. Dat vond ik zelf een hele snelle actie en slim bedacht maar meneer Van Agt was niet onder de indruk. “Dan moet je bij de NS gaan werken” zei hij, “achter het loket. Kun je de hele dag vragen beantwoorden.” En toen wij in koor protesteerden dat dat heel iets anders was dan in een bibliotheek omdat je daar steeds andere vragen krijgt en omdat een bibliotheek veel afwisselender is reageerde hij met “Bij de NS krijg je ook steeds andere vragen, want die mensen willen allemaal een kaartje naar een andere bestemming.” Waarschijnlijk keken we daarna allemaal licht wanhopig uit onze ogen: want wat was DAN het goede antwoord? En toen legde de adjunct-directeur van de BDAT uit dat het in een bibliotheek draaide om mensen. Dat je van mensen moest houden als je in een bibliotheek wilde werken. En ja, je moest veel vragen beantwoorden en het was ook handig als je van lezen hield maar het draaide om de mensen. “Dus dat moeten jullie goed onthouden als jullie aan deze opleiding beginnen.”

Hoe dat gesprek verder verliep weet ik niet meer, maar deze opening maakte toen diepe indruk op me. Waarschijnlijk omdat het de eerste keer was dat ik zo’n retorisch trucje meemaakte. En omdat het heel erg duidelijk maakte wat de bedoeling was.

Ik weet niet of er ooit mensen werden afgewezen na zo’n gesprek. Misschien was dat alleen bedoeld als drempel om te voorkomen dat mensen zich al te gemakkelijk aanmeldden en vervolgens niet kwamen opdagen als het studiejaar begon. Wij werden in elk geval alle vijf aangenomen en kwamen bij elkaar in de klas. Met een van die meisjes raakte ik bevriend en zij is nu nog steeds mijn beste vriendin.

Waarom ik dit verhaal nu oprakel is om aan te geven dat het bepaald niet nieuw is dat je van mensen moet houden om in een bibliotheek te werken. Want dat hoor ik de laatste tijd wel eens. Dat je vroeger van boeken moest houden als je in een bibliotheek wilde werken en dat het nu om de mensen draait. Maar dat is dus niet zo. Al is dat wel een poosje wat minder gebruikelijk geweest in de branche. Zo was daar de directeur die tegen gezellige praatjes aan de balie was: “We zijn geen buurthuis! Voor de gezelligheid hoeven ze hier niet te komen”. Maar het draaide in de bibliotheek altijd om wat je voor “de mensen” kon betekenen. Die stonden voorop. En niet de boeken.

Hoezo mag de klassieke bibliotheek niet meer?

Een paar maanden geleden werd ik op Twitter gecorrigeerd door iemand omdat ik de term ‘uitleenfabriek’ gebruikte. De term uitleenfabriek suggereert dat we alleen maar boeken uitlenen en bibliotheken waren altijd veel meer dan alleen dat. Wat diegene precies schreef weet ik niet meer want ik kan niet meer terugvinden wie dat ook alweer was die me daarop wees. In eerste instantie vond ik het een beetje flauw. Maar hoe langer ik er over nadenk hoe meer ik me realiseer dat diegene groot gelijk heeft.

Ik vind het zelf eigenlijk wel een lekker woord, uitleenfabriek, ik gebruik het al jaren. Ik heb meer problemen met mensen die het begrip “klassieke bibliotheek” gebruiken als iets negatiefs en dat is een irritatie in dezelfde categorie. Al die mensen die vinden dat de “klassieke bibliotheek” niet meer kan en dat die een transitie moet doormaken. Want de klassieke bibliotheek is een uitleenfabriek en dat is ouderwets en de nieuwe bibliotheek is hip want nieuw en die heeft een ‘community librarian’, want dat is nog hipper.

Mensen: hou daar eens mee op, met die flauwekul. Het doel van bibliotheken is altijd geweest om toegang te bieden tot kennis en informatie en om het lezen te bevorderen. Dat kun je op een heleboel verschillende manieren zeggen, je kunt het hebben over volksverheffing, literatuurpromotie, stimuleren van cultuur of over een leven lang leren maar we doen al meer dan honderd jaar in principe ongeveer hetzelfde, al gebruiken we nu andere middelen dan toen. En inderdaad: een paar jaar geleden was er een stroming binnen onze branche die zei dat bibliotheken op boekhandels moesten gaan lijken. Want boekhandels waren sexy en succesvol. Er werden retailformules bedacht omdat het dé manier zou zijn om de teruglopende uitleencijfers van bibliotheken op te krikken en die werden door een aantal bibliotheken overgenomen. Díe bibliotheken zou je een uitleenfabriek kunnen noemen, want hun doel was om zoveel mogelijk boeken uit te lenen. Ik kan niet goed inschatten over hoeveel bibliotheken we het dan hebben. In bepaalde provincies werd deze formule breed uitgerold en de meeste bibliotheken in Nederland namen elementen van dat retailconcept over om hun collectie aantrekkelijker te presenteren. Maar volgens mij zijn heel veel bibliotheken gewoon blijven doen wat ze altijd al deden: mensen helpen bij het vinden van informatie en een plek in de gemeenschap zijn voor iedereen. Maar dan met hun boeken net iets leuker gepresenteerd dan voorheen.

Vanwege de vergrijzing van de branche verlaten nu een heleboel collega’s het vak die weten hoe dat moet: er voor zorgen dat iedereen zich welkom voelt in de bibliotheek. Die oude rotten worden vervangen door nieuwe mensen, met nieuwe ideeën maar zonder bibliotheekopleiding omdat die niet meer bestaat. En die nieuwe mensen hebben nieuwe kwaliteiten maar ze missen de kennis en ervaring om van de bibliotheek de plek in de gemeenschap te maken waar iedereen zich thuis voelt. En daarom worden er nu nieuwe opleidingen uit de grond gestampt, zoals de opleiding tot community librarian. Ik vind het zelf een rotwoord (want hoezo opeens een Engelse term?) maar de opleiding zelf lijkt me prima. Studenten leren daar hoe ze er voor kunnen zorgen dat wat er in de bibliotheek gebeurt aansluit bij wat er in hun eigen gemeenschap leeft. Ze leren hoe ze in hun dienstverlening mensen kunnen stimuleren om zichzelf te verbeteren. Om te doen waar bibliotheken voor zijn opgericht en wat ze altijd al gedaan hebben dus. Je zou kunnen zeggen dat die bibliotheken met een community librarian dus weer teruggaan naar het klassieke bibliotheekwerk: ophouden met het zijn van een uitleenfabriek en weer opnieuw gaan doen waar je altijd al mee bezig was. Maar dan met nieuwe middelen.

De term ‘klassieke bibliotheek’ wordt de laatste tijd steeds vaker als een soort scheldwoord gebruikt. Het suggereert hoge boekenkasten en mahoniehouten tafels met koperen leeslampjes en een bibliothecaresse die vanachter haar catalogusbak fluistert dat je stil moet zijn. Er is geen openbare bibliotheek in Nederland die er zo uitziet. Tot verdriet van sommige bezoekers overigens. Al bijna 50 jaar niet meer want sinds de jaren ’70 zijn openbare bibliotheken bezig met het aansluiten bij waar mensen mee bezig zijn. De manieren waarop ze dat doen zijn in de loop van de tijd veranderd en de ene bibliotheek is daar actiever of beter in dan de ander. Maar ze zijn er allemaal mee bezig en ze doen allemaal hun best. Dus ik vind het nogal gemakkelijk om nu iets anders te suggereren. Om die paar bibliotheken die de laatste paar jaar al hun energie hebben gestopt in het uitlenen van zoveel mogelijk boeken als maatstaf te nemen en te roepen dat alle bibliotheken uitleenfabrieken zijn en dat het van nu af aan anders moet. Ik snap het wel, want dat bekt lekker. En het maakt de boodschap zo helder en dat moet van communicatie, zorgen dat je een heldere boodschap hebt. Maar het klopt niet. Want de meeste bibliotheken zijn nooit uitleenfabrieken geweest en de klassieke bibliotheek had altijd al een maatschappelijk/educatieve functie. Dus zullen we stoppen met het gebruik van die term uitleenfabriek en ook de uitdrukking klassieke bibliotheek niet meer in negatieve zin gebruiken? Want daarmee doen we onszelf en onze eigen geschiedenis te kort.

En voordat iemand nou zegt “wat maakt het nou uit hoe je iets noemt, het zijn toch maar woorden?”; daar zijn wij van, van woorden. Van taal. Dus laten we in elk geval over ons eigen vak de juiste woorden gebruiken. Lang leve de klassieke bibliotheek. En lang leve de bibliothecaris!

De culturele dienstplicht van kunstenaars

De Akademie van Kunsten is een onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en wil de plek zijn voor “debat over de waarde van kunst in de samenleving en over de relatie tussen kunst en wetenschap”. Dat doen ze op verschillende manieren: door het organiseren van lezingen, door de discussie op te zoeken en ook door het organiseren van projecten.

Hun nieuwste project is de Culturele Dienstplicht. De ambitie van dit project is “om iedere 14-jarige in Nederland minimaal eenmaal in zijn/haar leven in direct contact te brengen met mensen die kunst maken. Direct, ‘live’ contact.” Dat doen ze door leden van de Akademie van Kunsten (allen kunstenaars) hun praktijk naar scholen te laten brengen: de makers komen naar de klas en praten over hun werk. Zij gaan met de kinderen in gesprek en leggen het belang van kunst uit. De eerste kunstenaar die zijn culturele dienstplicht vervulde was ontwerper Gijs Bakker.

Eerlijk gezegd klikte ik het filmpje van dat bezoek een beetje ongerust aan, want het leek me een recept voor mislukking. Zeker als je die foto’s ziet. Een ontwerper die zulke abstracte sieraden ontwerpt, kan die wel contact maken met van die Limburgse pubers? Mijn onrust was geheel onterecht, kijk zelf maar even. Ik vind het geweldig. Ja misschien geven die kinderen sociaal wenselijke antwoorden en Gijs Bakker is natuurlijk een vriendelijke opa (dat mag ik zeggen want hij is 76) maar toch. Een aantal leerlingen uit deze klas gaat deze les nooit meer vergeten en daar gaat het om lijkt me.

Culturele dienstplicht: Gijs Bakker bezoekt het Dendron College in Horst.

Kan er niks aan doen maar ik vind het bijna ontroerend: die kinderen die ondanks zichzelf geïnteresseerd raken in wat die man daar voor de klas staat te vertellen. En heel slim dat hij Rihanna in zijn verhaal betrekt. Daarmee maakt hij in één klap aan zijn publiek duidelijk wat voor status hij heeft. En daarmee komt zijn boodschap luid en duidelijk over. Slim.

Scholen die belangstelling hebben kunnen zich nog aanmelden. Ik zou het wel weten als ik op een middelbare school werkte.

Een bibliobus is meer dan een rijdende bibliotheek

In het dunbevolkte gebied boven de poolcirkel kan het leven eenzaam zijn. Voor sommige bewoners is de chauffeur van de bibliobus de enige persoon die ze in weken of zelfs maanden spreken. Want hoe weinig voorzieningen daar ook zijn: er rijdt sinds de jaren ’70 wel een bibliobus. In deze prachtige documentaire wordt Oula Kotakorva gevolgd op zijn laatste route. Vanuit Muonio, Finland, rijdt hij de bus volgens een driewekelijks schema langs dorpen en boerderijen rondom en boven de poolcirkel, in Finland, Zweden en Noorwegen. Oula rijdt deze route al meer dan 30 jaar, dus hij kent alle bezoekers. De klanten nemen afscheid van hem en je ziet hoe hij zijn opvolger inwerkt: een jonge man die na een paar dagen verzucht dat hij hoopt dat hij dit de rest van zijn leven mag blijven doen.

De film duurt 25 minuten, maar neem vooral de tijd om hem te bekijken, want behalve schitterende beelden van dat besneeuwde landschap in Lapland is de documentaire wat mij betreft ook zo mooi omdat het laat zien dat de bibliobus niet alleen boeken brengt maar ook een sociale functie heeft. De chauffeur doet kleine boodschapjes voor zijn klanten en sommige bezoekers komen niet voor een boek maar alleen voor een praatje zoals die man van de rendieren. Omdat de bus zo’n uitgebreid gebied bestrijkt zijn de routes heel lang en overnacht de chauffeur soms halverwege. Op sommige standplaatsen krijgt hij hulp van een bibliothecaris, die gaat ’s avonds weer naar huis.

Al googelend naar achtergrondinformatie over de bus kwam ik onderstaand filmpje van zes jaar geleden tegen. Zelfde chauffeur, zelfde route, andere bus.  Oudere bus vooral. Eigenlijk is dit filmpje veel informatiever maar het is een stuk minder spectaculair want er ligt geen sneeuw en dan is die toendra best wel saai om te zien. (vind ik dan) Maar goed, ook hier zie je weer hoe blij de mensen zijn met de bibliobus. Net zoals de mensen in die bus in Malaga waar ik eerder over schreef en zoals alle mensen die dagelijks de Nederlandse bibliobussen bezoeken. Leve de bibliobus!

Voorlezen in het Witte Huis

Op tweede Paasdag werd een filmpje van Sarah Sanders, die voorleest tijdens de traditionele Easter Egg Roll, gretig gedeeld op Twitter. Ik moest er zelf ook om lachen maar eigenlijk ook een klein beetje om huilen. Sarah Sanders is de voorlichter van president Trump en in het fragment dat gedeeld werd leest ze bepaald niet enthousiast het Paasverhaal voor. Ze lijkt zelfs opgelucht dat het boek uit is. Ha, ha, kijk eens: die voorlichter kan niet eens fatsoenlijk een verhaaltje voorlezen. Wat zijn ze toch vreselijk allemaal, daar in dat Witte Huis.

Nou is dat laatste misschien waar, maar als je het hele filmpje bekijkt (zie hieronder) dan zie je de context. Want het akelige aan dat fragment op Twitter was (in mijn ogen dan) dat ze het verhaaltje nogal afraffelde en zich weinig aan de kinderen gelegen liet liggen. Als je haar hele optreden bekijkt zie je dat ze in het begin wel degelijk contact maakt met haar publiek maar dat ze het heel erg koud heeft en daarom belooft ze dat ze snel zal zijn. Had ze niet moeten doen, want vandaar dat afraffelen. Ze heeft er niet heel erg veel zin, in dat voorlezen maar ze heeft het duidelijk wel vaker gedaan: ze laat de plaatjes zien (veel te kort vanwege de kou) en ze heeft een kinderversie van het Paasverhaal uitgekozen. Saai, saai, saai, maar wel over nagedacht. Nee, dan de First Lady. Die las ook voor maar dat was heel anders.

Melania had ook nagedacht over welk boek ze zou voorlezen en ze koos een boek waar ze zelf enthousiast over is. Altijd goed, want enthousiasme komt het voorlezen ten goede. Maar ze heeft niet zo goed nagedacht over haar publiek en wat die van het boek zouden vinden. Ik kon nergens terugvinden wat voor boek ze precies voorleest en omdat ze de auteur niet noemde is het moeilijk terug te vinden. Het is een dr. Seuss-achtig rijmpje met een bemoedigende boodschap: je mag er zijn. Mooie boodschap maar geen verhaaltje. Ze lijkt ook moeite te hebben met de uitspraak van sommige woorden, dat maakt het het lastiger om naar haar te luisteren. En de halfzachte manier waarop ze de plaatjes uit het boek laat zien stimuleert ook niet echt. Ik vind het geen succes, maar het ziet er wel een stuk fotogenieker uit dan de voorleessessie van de voorlichter. Dat zal zeker meegespeeld hebben.

De president heeft zelf niet voorgelezen. Dat snap ik wel, want beter dan Obama zou hij het nooit kunnen. Obama had er een traditie van had gemaakt om elk jaar Max en de Maximonsters voor te lezen. Elk jaar weer iets enthousiaster, ik schreef er eerder over. Trump lijkt overal een wedstrijdje van te willen maken en deze zou hij zeker niet winnen, dus heel verstandig om er dan maar niet aan te beginnen. Er werd die dag door meer mensen voorgelezen, o.a. door de Staatssecretaris van Onderwijs Betsy DeVos en door het hoofd van de militaire gezondheidsdienst, Surgeon General Dr. Jerome Adams. Die laatste is mijn favoriet: hij zit daar in vol ornaat en neemt uitgebreid de tijd om de kinderen bij het verhaal te betrekken: geweldig. En hij leest Oh, the places you’ll go van Dr. Seuss voor, ook al een favoriet.

Die Easter Egg Roll vindt al plaats sind 1878. Het is me niet duidelijk of er toen ook al werd voorgelezen of wanneer ze daar mee gestart zijn maar ik vind het een mooie traditie.