Tenaanval

Tenaanval

Over bibliothecarissen, bibliotheken, leesbevordering en soms over kunst

De bibliobus is terug in New York

Na jaren van afwezigheid rijdt er sinds deze week weer een bibliobus door New York. Geen bus zoals wij die in Nederland kennen maar een omgebouwd sprinter busje, zo eentje waar New York vol mee staat en van waaruit ijsjes of hotdogs verkocht worden. Met zo’n zijraampje dat open klapt als een loket. Er kunnen ongeveer 1000 boeken in en het wordt bemand door twee medewerkers. Dit eerste busje staat voorlopig vier dagen in de week in de Bronx, er komen nog twee bussen bij en dan wordt de dienstverlening uitgebreid naar Manhattan en Staten Island.

Ik vind het geweldig. Daar zal ongetwijfeld in meespelen dat ik ooit voorzitter van het Landelijk Platform Bibliobussen was maar zeg nou zelf: dit is toch geweldig? Ze gaan er niet alleen mee naar scholen maar ze staan ook op vaste standplaatsen zo te zien. En ze gaan de busjes gebruiken als ergens een bibliotheek vanwege verbouwingen tijdelijk gesloten is. Zoals ze dat in Emmen op dit moment ook doen, bij de verbouwing van de centrale.

Mijn bibliothecarissenhart kromp wel een beetje ineen van die boekenkarren in de regen. Ik vraag me af hoe ze dat gaan doen als het echt slecht weer is. Maar daar verzinnen ze vast weer iets op. Ik ga ze in elk geval volgen. Dat is makkelijk want de bussen hebben hun eigen twitteraccount. Leve de bibliobus!

Rupsje Nooitgenoeg geeft hoop

Dit jaar bestaat Rupsje Nooitgenoeg 50 jaar. Bij echte klassiekers heb je geen idee van tijd, ik wil ook niet weten hoe oud Pipi Langkous is. Maar Rupsje Nooitgenoeg wordt dus 50. Het is een wereldwijde klassieker en in dit filmpje legt Eric Carle uit wat volgens hem het succes van het boek is: “It is a book of hope. Children need hope.” Als zo’n kleine, onbelangrijke rups kan uitgroeien tot een mooie grote vlinder dan kan ik ook iets anders worden en de wereld veroveren zegt dit verhaal.

Ik vind het een mooie gedachte, want dat is wat boeken kunnen doen inderdaad. Zeker voor kinderen. En ik vind het een mooi filmpje, van die bijna 90-jarige Carle. Hij heeft er nog zin in zo te zien. In alles. Erg schattig hoe hij zit te stralen. Zijn laatste boek kwam uit in 2015 en hij heeft een museum (niet alleen over zijn eigen werk maar over kinderboeken in het algemeen), zijn eigen website met blog en hij zit op Facebook. Dus hoera voor Eric Carle en Happy Birthday Rupsje Nooitgenoeg. Nog vele jaren!

Een bibliotheek gaat wél over boeken

Het begint een traditie te worden: Mark Deckers die aan het knutselen slaat met de cijfers die de Koninklijke Bibliotheek jaarlijks publiceert over de Nederlandse openbare bibliotheken. Twee jaar geleden schreef ik daar ook al eens een stukje over, toen omdat we op nummer 1 stonden in de categorie “bibliotheek met het jongste personeel”. Ik vind nog steeds dat je al die cijfers en vergelijkingen niet al te serieus moet nemen en ik vind nog steeds dat het verhaal belangrijker is dan de cijfers. Want het blijven appels en peren die je met elkaar vergelijkt, elke bibliotheek heeft een ander werkgebied, een andere geschiedenis en een andere achtergrond. Maar inmiddels begin ik wel de lol van die al die vergelijkingen in te zien. En ok, het helpt dat Mark zijn verzameling de Deckers-index noemt. Vind het geweldige naam die we er maar in moeten houden.

Ook dit keer neemt de bibliotheek Bibliorura weer een opvallende plaats in op de lijst. We komen zelfs twee keer in Marks’ lijstjes voor, een maal op nummer 15 in de lijst van best bezochte bibliotheekwebsites en we zijn de hoogste nieuwe binnenkomer in de lijst van bibliotheken waar het meest wordt uitgeleend per lid. Waar de leden het meest lenen dus. Dat verbaasde me in eerste instantie zeer, want zo spectaculair waren onze uitleencijfers toch niet gestegen? Maar een vergelijking van de lijst van dit jaar met die van twee jaar geleden maakte een hoop duidelijk. Om te beginnen was het toen een top 10 en maakte Mark nu een top 15. Waarschijnlijk bungelden wij in 2015 ergens onder die nummer 10. Maar de voornaamste reden is dat onze uitleencijfers in 2017 zijn gestegen en de uitleningen van andere bibliotheken zijn gedaald. Daarom komen wij opeens als hoogste stijger binnen op deze lijst. Mark zegt het zelf al: het gemiddeld aantal uitleningen is gedaald, van 20,7 in 2015 naar 19,7 in 2017. En daar ben ik blij mee, dat onze uitleningen zijn gestegen, daar hebben we met zijn allen ook ons best voor gedaan.

Ik weet dat een aantal collega’s het niet zo’n probleem vindt, dat de uitleningen dalen, want het gaat in de bibliotheek immers niet om boeken en uitleningen maar om bereik? Om hoeveel mensen je bereikt? En veel mensen leggen dat dan uit als in hoeveel activiteiten je organiseert. Boeken zijn voor hen maar een bijproduct. Het voelt een beetje vreemd om, na meer dan 10 jaar op mijn blog te schrijven dat openbare bibliotheken een grotere maatschappelijke rol moeten gaan spelen, opeens te gaan pleiten voor meer aandacht voor de collectie maar dat ga ik nu toch doen. Want ik word er een beetje verdrietig van als ik sommige bibliotheken binnenkom, waar het lijkt alsof de boeken meer decorstuk zijn dan pronkstuk. Ik krijg soms het gevoel dat ze meer op een Volksuniversiteit willen lijken dan op een bibliotheek. Maar we zíjn geen Volksuniversiteit, we zijn een BIBLIOtheek, de naam zegt het al, we gaan over boeken. En over lezen en leesbevordering en (daarmee) over het bestrijden van laaggeletterdheid. En om effectief aan leesbevordering te doen heb je een goede collectie nodig. Dat is nota bene ons argument bij de Bibliotheek op School: laat ons je collectie maar verzorgen want je hebt een goede, gevarieerde collectie nodig om kinderen aan het lezen te krijgen. En wat voor kinderen geldt, gaat ook op voor volwassenen. Als je het lezen wil bevorderen moet je zorgen voor een goede collectie.

En ik weet het, kennis en informatie zit in meer dan alleen boeken, die kun je ook op andere manier delen. En ja, bibliotheken zijn méér dan alleen boeken. Maar boeken blijven een belangrijk bezit. En de collectie verdient dus veel aandacht. En ik weet ook dat ik makkelijk praten heb, want ik heb maar één vestiging. Dus ik hoef het collectiebudget niet te verdelen maar ik kan het helemaal in die ene vestiging stoppen. Dat scheelt een heleboel verdubbelingen en dus kunnen de collectioneurs meer aandacht besteden aan verdieping van de collectie. En daarmee trekken we weer extra lezers.

De afgelopen jaren werden we platgegooid met verhalen over het boek dat zou verdwijnen en over ontlezing en we zagen het aantal uitleningen allemaal dalen. Maar ik zie een kentering: het lezen komt terug. En dan niet alleen omdat wij als bibliotheken daar allemaal ons stinkende best voor aan het doen zijn maar omdat ik steeds vaker mensen hoor zeggen dat ze meer willen gaan lezen, of eindelijk weer eens tijd gaan maken om te lezen, of dat ze een account gaan aanmaken bij Goodreads omdat ze een stok achter de deur willen om meer te lezen. En ja, dat betekent nog niet meteen dat iedereen ook echt meer gaat lezen, maar het is in elk geval weer een nieuw geluid. En daarom ben ik blij dat onze uitleencijfers stijgen. Want ik ben klaar voor die nieuwe trend.

Kurt Vonnegut: “we’re dancing animals”

[When Vonnegut tells his wife he’s going out to buy an envelope]

“Oh, she says, well, you’re not a poor man. You know, why don’t you go online and buy a hundred envelopes and put them in the closet? And so I pretend not to hear her. And go out to get an envelope because I’m going to have a hell of a good time in the process of buying one envelope. I meet a lot of people. And, see some great looking babes. And a fire engine goes by. And I give them the thumbs up. And, and ask a woman what kind of dog that is. And, and I don’t know. The moral of the story is, is we’re here on Earth to fart around. And, of course, the computers will do us out of that. And, what the computer people don’t realize, or they don’t care, is we’re dancing animals. You know, we love to move around. And, we’re not supposed to dance at all anymore.”

Dit is een fragment uit het allerlaatste tv-interview dat schrijver Kurt Vonnegut gaf. Het dateert uit 2005 en je kunt een deel daarvan hier terugkijken. Een aanrader want hij is tamelijk geestig, op zijn 83e. In dat fragment komt dit citaat overigens niet voor, dat heb ik gevonden op Wikipedia. En voordat de “computer people” nou komen klagen dat die oude man het allemaal verkeerd ziet want dat computers helemaal geen bedreiging zijn: ik vind het een mooi uitgangspunt, dat we allemaal dansende dieren zijn. Voor het nieuwe jaar wens ik jullie allemaal ruimte om te klooien, “to fart around”. Zouden meer mensen moeten doen.

Neil Gaiman over kunst, of Waarom kunst belangrijk is # 4

Ok, dit is reclame. Niet alleen dat filmpje hierboven, maar dit hele stuk. Want ik wil jullie allemaal het boek Art Matters van Neil Gaiman en Chris Riddell aanbevelen. Sinds ik het boekje twee weken geleden kocht kan ik het niet laten om het elke dag even op te pakken want ik word er zo blij van. Niet alleen omdat het zo’n mooi boekje is, of omdat het, zoals Riddell in het voorwoord schrijft, een “small elegantly bound book” is maar ook omdat ik zo blij wordt van wat er in staat. En ik denk dat in deze tijd van onrust en onderbuikgevoelens en ongenuanceerdheid wel behoefte is aan mooi en blij en schoonheid.

Het is een verzameling van bestaande teksten van schrijver Neil Gaiman waar illustrator en UK Children’s Laureate Chris Riddell tekeningen bij heeft gemaakt. Op eigen initiatief. Voor de lol, omdat hij zo onder de indruk was van de teksten. Omdat die tekeningen zo veel aandacht op social media kregen besloot de uitgever om er een boekje van te maken. Het zijn vier teksten: drie verhaaltjes en één gedicht. Gaiman noemt die verhaaltjes essays, maar bij dat woord hebben we in Nederland toch andere associaties. Het zijn korte, inspirerende teksten over lezen, bibliotheken en het belang van kunst. De laatste tekst (Make good art) is een toespraak die Gaiman hield voor de afstudeerders van een Art Class van een universiteit in Philadelphia in 2012. Hier een video van die toespraak. Als je Gaiman nog niet kent is die leuk om een idee te krijgen van wat voor man het is. De video hieronder is de opname van een Facebook livestream die hij vorige week hield, ter gelegenheid van de presentatie van het boek. Omdat het een livestream is (en dus geen zorgvuldig samengesteld filmpje) waaiert het nogal uit en gaat het alle kanten op en je merkt aan alles dat hij moe is. De hele video duurt nogal lang maar in de eerste vijf minuten legt hij uit hoe het boekje zo tot stand gekomen is. Voor als je meer wil weten.

De tweede tekst in dit boekje is zijn beroemde Why our Future depends on libraries, reading and daydreaming, dat hij schreef voor de Reading Agency (de Britse Stichting Lezen). De door Riddell geïllustreerde versie van deze tekst verscheen deze zomer in The Guardian en deed toen al de rondte op social media. Het bevat pareltjes als A library is a place of safety, a haven from the world. It’s a place with librarians in it.

De eerste tekst is een credo die begint met: I believe that it is difficult to kill an idea because ideas are invisible and contagious, and they move fast. Lijkt me niks tegen in te brengen. Maar goed, ik word dus heel erg blij van zoveel vastberadenheid en zo’n diep geloof in het belang van lezen en van kunst. Want het boek heet niet voor niks Art matters, because imagination can change the world. En daar hou ik me maar aan vast.

 

Lezen op het strand, Franse strandbibliotheken

Vorige week was ik Normandië, op vakantie. In ons hotel vond ik een folder van Lire à la plage, de Franse versie van de strandbibliotheek.  (Voor wie zich afvraagt wat ik met strandbibliotheken heb is hier een linkje naar hoe dat ooit begon) In Nederland zijn de meeste strandbibliotheken weer verdwenen, alleen Makkum houdt dapper stand, dus ik was aangenaam verrast dat ze in Frankrijk nog steeds bestaan. Al sinds 2006 zijn ze daar bezig. Ik heb er veel foto’s van gezien maar weinig over gehoord dus ik wilde er nu graag eens een in het echt zien.

Zelfs als ik niet gewaarschuwd was door die folder had ik de bibliotheek op de boulevard van Étretat waarschijnlijk snel gevonden, want het stond op een tamelijk prominente plek. Zoals dat hoort. En het was zeer herkenbaar, niet alleen omdat er met grote letters Lire à la plage op stond maar ook vanwege de herkenbare kleuren. In tegenstelling tot “onze” strandbibliotheken hebben ze er in Frankrijk voor gekozen om alle bibliotheken er precies hetzelfde uit te laten zien. En als ik het filmpje zo bekijk geldt dat niet alleen voor de buitenkant (allemaal precies dezelfde huisjes, met allemaal rechts van de ingang een leesterras met precies dezelfde strandstoelen) maar ook voor de binnenkant. Want die in Étretat zag er van binnen precies zo uit als die hierboven. Die eenheid komt waarschijnlijk (ook) omdat het één groot project is, van het departement Seine-Maritime dus ik ga er van uit dat alles gewoon centraal geregeld wordt. Wat me opviel is dat ze zichzelf geen bibliotheek noemen. De collectie bestaat ook niet uit bibliotheekboeken maar uit niet-ingewerkte winkelexemplaren en er is niets dat lijkt op een uitleensysteem. Het meisje dat de “bibliotheek” beheerde reageerde dan ook heel verbaasd op mijn vraag of ze met de plaatselijke bibliotheek samenwerkten. “Nee, we zijn van het departement. We hebben niets met de bibliotheek te maken.” Een paar klikken op het internet leert dat er in het verleden wel degelijk werd samengewerkt met gemeentelijke bibliotheken, maar dat was ongetwijfeld vóór de tijd van deze (neem ik aan) werk-studente. Die vertelde dat ze elke dag open zijn, van 14 tot 19 uur. Ook als het slecht weer is.

Er worden mondjesmaat activiteiten georganiseerd, voornamelijk gericht op lezen en taal. Het leek allemaal tamelijk simpel: een leuk huisje met (1000) boeken en een gezellig terras. Zet de deur maar open en ga je gang. Niks ingewikkelds of hoogdravends, gewoon: lezen. Op het strand. Want daar gaat het om, bij Lire à la plage.

PS. Ook als je Frans niet al te best is: kijk het filmpje toch maar. Is leuk. En de plaatjes zeggen genoeg.

De stilte rondom de bouwput van de Noord/Zuidlijn in de Ferdinand Bolstraat

Gisteren is officieel de Noord/Zuidlijn geopend. Dat kan niemand ontgaan zijn. In de aanloop naar die opening is er veel geschreven en in de media gepraat over dat het zo fijn is dat hij nou eindelijk open is, dat het wel lang geduurd heeft en dat het ook wel veel duurder is geworden dan oorspronkelijk gedacht, maar alla: nu hebben we ook wat.

En dat hoort ook zo bij een feestje. Maar in het kader van het historisch perspectief en om het vast te leggen voor het nageslacht wil ik hier toch graag wat van mijn ervaringen opschrijven met de aanleg van de Noord/Zuidlijn. Ik zal jullie de klachten over overlast besparen want iedereen kan zich wel iets voorstellen van het soort last dat je hebt als je aan de bouwput van een metrostation in aanleg woont. Letterlijk áán de bouwput, want ik woonde in de Ferdinand Bolstraat en alleen een stoep van zo’n 2,5 meter scheidde mijn voordeur van de bouwput, de graafmachines, de bouwketen en de vrachtwagens met beton.

Waar het mij om gaat is hoe de stad en de bouwers omgingen met de bewoners. Die werden, zeker in de beginfase van de aanleg, vooral gezien als lastig. Het projectbureau Noord/Zuidlijn verspreidde nieuwsbrieven huis-aan-huis en in de beginperiode organiseerde de gemeente voorlichtingsavonden en dat was het wel zo’n beetje. Op zo’n voorlichtingsbijeenkomst werd vooral uitgelegd hoe technisch knap het was wat ze gingen doen met die tunnelboor en wat voor regelingen er waren voor eigenaren om de funderingen van de panden aan de bouwput te laten versterken. Heel pragmatisch en formeel. Dat er op zo’n avond ook winkeliers waren die emotioneel uitriepen dat hun handel kapot zou gaan aan die werkzaamheden werd vooral lastig gevonden en bewoners roerden zich daar nauwelijks. Ik ook niet, want ik zat daar uit nieuwsgierigheid en ik kon me geen voorstelling maken van wat het precies allemaal zou gaan inhouden.

Cynisch was ik wel, daar hadden de ervaringen met de communicatie rondom die metro alle reden toe gegeven. Eerst al met dat referendum, waarbij alles uit de kast werd getrokken om de Amsterdammers vooral vóór te laten stemmen. Toen ze eenmaal begonnen met de aanleg van het metrostation in de straat bleek het, in tegenstelling tot wat steeds gezegd werd, allesbehalve mee te vallen met de overlast en dat was voor een paar bewoners in de straat aanleiding om zich te gaan organiseren. Dat de metro onder de Ferdinand Bolstraat kwam was te danken aan het feit dat de buurt niet georganiseerd was, want oorspronkelijk zou de lijn door de Concertgebouwbuurt gaan, maar onder aanvoering van de vrouw van de wethouder en een paar topjuristen uit de straat werden die plannen snel gewijzigd. Toen zou de lijn onder de Boerenwetering komen (zoals in het filmpje hierboven wordt gezegd) maar ook in die buurt woonden een paar juristen met invloed (aan de andere kant van het water dan, uiteraard niet aan de Albert Cuypkant). In de Pijp was er nauwelijks sprake van tegengeluiden dus daar kon de gemeente zijn gang gaan.

In 2004 werd er begonnen met de bouw. De trams werden omgeleid, de straat werd afgesloten, er kwamen hekken en toen bouwketen en opeens stonden er grote machines onder mijn raam te bulderen. En bleken ze te werken van 7 uur ’s ochtends tot 10 uur ’s avonds. Toen het gemeentelijk onderzoeksbureau ook nog eens een rapport publiceerde waarin stond dat het allemaal reuze meeviel met de overlast was de boot aan. Via de buurvrouw die bij de bakker iemand had gesproken kwam ik in contact met andere mensen in de straat die het zat waren en voordat we het wisten stonden we opeens bij een vergadering van de stadsdeelraad. En kregen we in de gaten dat er in de politiek hele andere spelregels golden dan in het dagelijks leven. Die leerden we met vallen en opstaan.

Die eerste periode moesten we vooral hard werken om serieus genomen te worden. Want tot mijn grote verbijstering bleek dat er op geen enkel niveau was nagedacht over de mensen die in de straat woonden. Voor bewoners was een communicatieprotocol opgesteld en daar bleef het wel zo’n beetje bij. Toen we lawaai gingen maken werd er gewoon nog meer gecommuniceerd en waren ze verbaasd dat we daarna nog steeds bleven zeuren. Pas toen wethouder Van der Horst een keer zelf kwam kijken kwam er beweging in. Die man stond in de standaard VVD-modus en had tot dan toe erg weinig belangstelling voor bewoners getoond, maar tijdens een rondleiding door de straat keek hij verbaasd naar de bouwhekken en naar de klodders modders die tegens de gevels spatten als zo’n graafmachine zijn lading dumpte in een klaarstaande vrachtwagen. “Als ik thuis nieuwe keukenkastjes ophang dan scherm ik de boel beter af dan hier met deze schutting. Ik begrijp niet wat het probleem is bij zo’n groot bouwproject.” Binnen een week werden de schuttingen aangepast.

Op die manier moesten we als bewonersvereniging die eerste jaren ieder dingetje opnieuw bevechten. In plaats van tot 10 uur ’s avonds werd er nog maar doorgewerkt tot 7 uur ’s avonds. Behalve in noodgevallen. En wij konden in de gaten houden of het echt een noodgeval was, dat was dan wel weer een voordeel van in die bouwput kunnen kijken. “Nee, hier moest niet nog dringend iets afgemaakt worden: die vrachtwagen reed gisteravond om 10 over 7 nog het bouwterrein op en toen hebben ze gewoon tot na 9 uur doorgewerkt.” “Lullig dat er geen metingen zijn gedaan naar het geluid van de vorige dieselgeneratoren, maar deze nieuwe generatoren maken echt heel veel meer lawaai dan die andere.”

Het stadsdeel Oud-Zuid was de eerste die doorkreeg dat er met ons best te praten viel, dat wij geen hardcore-actiegroep waren die de boel wilde saboteren maar gewoon bewoners die het vervelend vonden dat hun woongenot werd aangetast. Het stadsdeel had geen enkele invloed op de bouwactiviteiten omdat de stad de Noord/Zuidlijn tot grootstedelijk project had verklaard dat boven de stadsdelen uitsteeg. Dus het enige dat ze konden doen was tandenknarsend toekijken hoe een belangrijke wijk binnen het stadsdeel op de schop ging. Door op te komen voor de belangen van de bewoners en ons te stimuleren om een bewonersvereniging op te richten hadden ze toch nog ergens invloed.

Ook het projectbureau kreeg door dat wij helemaal niet zo onredelijk waren. Nadat de Projectdirecteur een keer aan mijn keukentafel had gezeten om te vergaderen met de Bewonersvereniging werd het allemaal steeds pragmatischer. Al vonden sommige mensen dat wel lastig: praten met burgers. Zoals die bouwmanager, die toen wij vroegen wat grouten nou precies was verbaasd zei: “ja, dat kan ik wel gaan uitleggen, maar dat snappen jullie toch niet.” Die man werd gek van ons want in zijn optiek belemmerden wij hem in zijn werk. Het was een opluchting voor iedereen toen de aannemer daar een andere manager benoemde. De boel liep meteen een stuk soepeler.

En dat is mijn punt: voordat de bouw begon werd het traject in de Ferdinand Bolstraat gezien als het deel met het meeste risico. En daar is nou net alles goed gegaan. Dat het op andere plekken mis ging is natuurlijk vooral een kwestie van domme pech maar ik ben er van overtuigd dat ook heeft meegespeeld dat de bouwers in de Ferdinand Bolstraat letterlijk op hun vingers werden gekeken. Door de bewoners en ook door het stadsdeel. Daardoor werd het projectbureau gedwongen om overal boven op te zitten, om te voorkomen dat wij weer zouden gaan zeuren of om een antwoord klaar te hebben als er toch iets was. En ze konden oefenen met “bewonersvriendelijk” zijn, zodat ze de nieuwe bouwputten die er kwamen door de aannemers konden laten inrichten met geluidsarme generatoren en de schema’s voor de betonwagens al klaar lagen voordat de bouw van start ging.

Maar goed. Ik heb er veel geleerd, die paar jaar aan de bouwput. Niet alleen over jetgrouten, diepwanden en ‘decibellen aan de gevel’,  maar ook over hoe je moet inspreken bij de gemeenteraad, over hoe een ambtelijke organisatie werkt en over dat journalisten geen belangstelling hebben voor redelijke bewoners maar liever een relletje verslaan. In 2008 werd het pand waarin ik woonde verkocht aan een projectontwikkelaar en moest ik mijn huis uit. De ergste bouwoverlast in de Ferdinand Bol was toen voorbij, de bouwput was dicht en er werd onder de grond verder gebouwd aan het station. Ik ben heel benieuwd naar het eindresultaat dus ik ga binnenkort maar eens een ritje maken.

Overigens: in dit filmpje hierboven doet Pieter-Jan Hagens dik 55 minuten over de tocht van Noord naar Zuid. Dat komt omdat hij niet de kortste weg neemt maar nodeloos allerlei overstaps maakt. Als hij op het Centraal Station meteen in de sneltram naar de Rai was gestapt was hij daar in 11 minuten geweest. Maar ja, dat had zijn boodschap een stuk minder krachtig gemaakt. Kijk, daar werden bewoners nou cynisch van, van dat soort filmpjes.

Robin Williams voor de bibliotheek van San Francisco

Robin Williams maakte in 1996 reclame voor de Family Day in de San Francisco Public Library. De nieuwe bibliotheek van San Francisco werd officieel geopend op 18 april 1996 en een paar dagen later was deze Family Day, waar Williams optrad als gastheer. Hij nam 9 promotiefilmpjes op. Als je het kan opbrengen om ze alle negen achter elkaar te bekijken zal je zien dat hij in een paar filmpjes hetzelfde verhaal vertelt, in een iets ander tempo. Geen idee of ze allemaal uitgezonden zijn.

Ik hou van Robin Williams, maar van al die filmpjes achter elkaar kijken word ik wel een beetje hyper. En een beetje droevig ook wel, gezien zijn verdrietige einde. Aan de andere kant vind ik het wel geweldig dat hij dat gedaan heeft: gastheer zijn en promotiefilmpjes opnemen. Zijn enthousiasme lijkt me ook oprecht. “Pump some neurons” Die moeten we er maar in houden.

Terugkeer van de melkboer

Sinds afgelopen vrijdag is de melkboer weer terug in Amsterdam. Geen gewone melkboer maar een bevlogen ondernemer/actievoerder die “het contact tussen het platteland en de stad wil herstellen” door eigenhandig melk van boeren uit de omgeving naar Amsterdam te brengen. In bovenstaand filmpje is te zien hoe hij zijn producten aflevert bij restaurants en ondernemers en nu verkoopt hij dus ook aan de gewone Amsterdammers. In dit nieuwsbericht van AT5 zie je hem gratis melk uitdelen in de Amsterdamse Pijp vanuit zijn schattige autootje. Zijn bedrijf heet MOMA (More than Milk Amsterdam) en dat staat voor “meer dan melk. Melk is voor ons Liquid Landscape; een vloeibaar stukje landschap”. Op zijn website is meer achtergrondinformatie te vinden en daar staat ook een kaartje van de stad met daarop de locaties en de routes die hij met dat autootje rijdt, inclusief een tijdschema.

Leuk!

Wie dit blog al langer volgt of wie mij een beetje kent voelt hem al aankomen:

Als de melkboer weer terug komt is de tijd rijp om ook de bibliobus weer te laten terugkomen. Nee, de bibliobus is nooit helemaal verdwenen uit Nederland. In Zeeland rijden de Onderwijsbus en de Servicebus op volle toeren en in o.a. Arnhem en Emmen rijdt de bus ook nog steeds tot ieders tevredenheid. Maar in de afgelopen 10 jaar is het aantal bibliobussen drastisch afgenomen vanwege “veel te duur”. Ik wil de discussie over dat argument hier nu niet overdoen, want dat is relatief, het is maar net waar je die kosten mee vergelijkt. Een belangrijke reden voor het opheffen van de bussen was ook een gevoel: die bibliobus is ouderwets, dat is iets van vroeger en tien jaar geleden waren bibliotheken vooral bezig met aantonen dat ze niet van vroeger waren maar juist heel erg van nu. Dus veel bestuurders wilden niet met zo’n stereotypebevestigend iets geassocieerd worden.

Inmiddels begint het tij langzaam te keren. De Zeeuwen gingen voorop bij het innoveren van de bibliobus maar een belangrijke stap is toch zeker gemaakt door de mannen van het Frysklab. Dit mobiele bibliotheeklab is innovatief en hip en wordt internationaal geroemd, juist vanwege het mobiele element. Vanwege het busgedeelte zeg maar. Het Friese makerlab krijgt her en der in het land navolging en ook iets ludieks als Blikkie het voorleesbusje uit Helmond is een groot succes. Terecht. Want het is superhandig dat je je activiteit (welke dan ook) heel eenvoudig op verschillende locaties kunt uitvoeren. Het enige dat je nodig hebt is een parkeerplaats die groot genoeg is. Een bibliobus is super laagdrempelig en je kunt letterlijk de mensen opzoeken. En nee, ik zeg niet dat je die oude bussen terug moet halen maar als het gaat over spreiding en het bereiken van doelgroepen dan is een bus daarvoor het aangewezen middel. Nu alleen nog hip worden.

Bibliothecarissen houden van mensen

De dag na mijn 17e verjaardag reisde ik samen met twee meisjes die ook bij mij op school zaten naar Tilburg voor een toelatingsgesprek op de Bibliotheekacademie. Ja jongens en meisjes, in die tijd kregen ze daar zoveel aanmeldingen dat ze een selectie konden maken.

Aan ons groepje van drie werden nog twee mensen toegevoegd en met zijn vijven kwamen we voor een selectiecommissie te zitten. Ik weet niet meer precies uit hoeveel mensen die commissie bestond maar daarin zat in ieder geval meneer Van Agt, de adjunct-directeur van de school. Die keek ons vriendelijk aan, legde uit wat de bedoeling was vroeg toen plompverloren aan Marloes: “Zo, en vertel eens: waarom wil jij in een bibliotheek gaan werken?” Omdat ze zo van boeken hield, zei Marloes, en omdat ze gek was op lezen. “Dan moet je in een boekhandel gaan werken” zei Van Agt. “Daar zit je de hele dag tussen de boeken” en daarna stelde hij dezelfde vraag aan Coen. “Ik wil in een bibliotheek werken omdat ik graag mensen wil helpen en vragen wil beantwoorden” antwoorde die. Dat vond ik zelf een hele snelle actie en slim bedacht maar meneer Van Agt was niet onder de indruk. “Dan moet je bij de NS gaan werken” zei hij, “achter het loket. Kun je de hele dag vragen beantwoorden.” En toen wij in koor protesteerden dat dat heel iets anders was dan in een bibliotheek omdat je daar steeds andere vragen krijgt en omdat een bibliotheek veel afwisselender is reageerde hij met “Bij de NS krijg je ook steeds andere vragen, want die mensen willen allemaal een kaartje naar een andere bestemming.” Waarschijnlijk keken we daarna allemaal licht wanhopig uit onze ogen: want wat was DAN het goede antwoord? En toen legde de adjunct-directeur van de BDAT uit dat het in een bibliotheek draaide om mensen. Dat je van mensen moest houden als je in een bibliotheek wilde werken. En ja, je moest veel vragen beantwoorden en het was ook handig als je van lezen hield maar het draaide om de mensen. “Dus dat moeten jullie goed onthouden als jullie aan deze opleiding beginnen.”

Hoe dat gesprek verder verliep weet ik niet meer, maar deze opening maakte toen diepe indruk op me. Waarschijnlijk omdat het de eerste keer was dat ik zo’n retorisch trucje meemaakte. En omdat het heel erg duidelijk maakte wat de bedoeling was.

Ik weet niet of er ooit mensen werden afgewezen na zo’n gesprek. Misschien was dat alleen bedoeld als drempel om te voorkomen dat mensen zich al te gemakkelijk aanmeldden en vervolgens niet kwamen opdagen als het studiejaar begon. Wij werden in elk geval alle vijf aangenomen en kwamen bij elkaar in de klas. Met een van die meisjes raakte ik bevriend en zij is nu nog steeds mijn beste vriendin.

Waarom ik dit verhaal nu oprakel is om aan te geven dat het bepaald niet nieuw is dat je van mensen moet houden om in een bibliotheek te werken. Want dat hoor ik de laatste tijd wel eens. Dat je vroeger van boeken moest houden als je in een bibliotheek wilde werken en dat het nu om de mensen draait. Maar dat is dus niet zo. Al is dat wel een poosje wat minder gebruikelijk geweest in de branche. Zo was daar de directeur die tegen gezellige praatjes aan de balie was: “We zijn geen buurthuis! Voor de gezelligheid hoeven ze hier niet te komen”. Maar het draaide in de bibliotheek altijd om wat je voor “de mensen” kon betekenen. Die stonden voorop. En niet de boeken.